Overzicht inhoud

  1. Taakveld arrestantenzorg
    1. Informatie over medicaties
    2. Rol van de forensisch arts
    3. Kostentoerekening
    4. Beoordeling intoxicaties
    5. Verslavingsproblematiek
    6. Richtlijn FMG opiaatverslaafden
  2. Taakveld lijkschouw
    1. Handreiking en formulieren
    2. Natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden
    3. Richtlijn FMG voor forensisch arts
    4. Weefsel- en orgaandonatie
    5. Euthanasie
      1. Levensbeëindiging pasgeborenen
    6. Overlijden minderjarigen (NODO)
      1. Ministerie zoekt uitvoeringsvorm NODO procedure
    7. Opsporing: Plaats Delict
    8. Kostenafbakening lijkschouw
    9. Vervoer stoffelijk overschot
    10. Overlijden na medisch handelen
  3. Taakveld psychiatrie
    1. Toepassing Wet BOPZ
    2. Overlast en zorgmijdend gedrag
  4. Taakveld medische advisering
    1. Geneeskundige verklaringen
    2. Advisering t.a.v. vreemdelingen
  5. Algemene informatie
    1. Het medisch beroepsgeheim

Taakveld arrestantenzorg

Informatie voor arrestantenverzorgers/celwachten
In Artikel 32 van de Ambtsinstructie voor de Politie wordt bepaald:
"In het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, overlegt de ambtenaar met de arts. De ambtenaar overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt."

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Informatie over medicaties
    Hieronder een link die snel algemene informatie geeft over de in Nederland gebruikelijke medicijnen. Op de pagina kan een 'alfabet' worden aangeklikt met de computer-muis op de eerste letter van de naam van het geneesmiddel. In de lijst die verschijnt kan dan het medicijn worden aangeklikt en een overzicht worden verkregen over de (bij)werkingen) van dat medicijn. Ook is daarbij informatie te vinden over wat er gedaan moet worden als het medicijn een keertje 'vergeten' is (waarbij telefonisch overleg met de dienstdoende arts noodzakelijk is). ¥¥¥
    Bij de celbezoeken wordt de forensisch arts vaak geconfronteerd met een 'plastic zak' met allerlei medicatie die door betrokkene wordt gebruikt. De meest voorkomende medicaties zijn duidelijk maar af en toe bevinden zich ook 'buitenbeentjes' in het farmaceutisch arsenaal, die we toch even willen opzoeken. In het celblok is meestal wel een toegang tot internet aanwezig.
    Ter raadpleging (met een goede 'zoek'-functie op de pagina; tevens vermelding van de prijzen van de geneesmiddelen): ¥¥¥
    Alleen als het helemaal niet lukt om een bepaald doosje met een merknaam te vinden was er voorheen nog het zgn. Repertorium. Een gedrukt (meestal verouderd) exemplaar van dit telefoonboekachtige werkje is, soms ergens diep verborgen in een la, nog in enkele cellencomplexen te vinden. Af en toeo is het daarmee nog mogelijk om de werkzame stof, die aanwezig is of zou moeten zijn, in het 'onbekende' doosje te achterhalen.
    Helaas vraagt het Repertorium tegenwoordig een vergoeding voor de elektronische raadpleging. Men dient zich eerst als gebruiker of als professional te registreren.
    De uitgever wees de FOMAT op de mogelijkheid een collectief abonnement af te sluiten zodat alle forensische artsen gebruik kunnen maken van de site. Een enkel abonnement kost € 26,50 per jaar. Dit is dus niet collectief en kan door slechts 1 gebruiker gebruikt worden. Toegang is dan alleen mogelijk op basis van één IP-adres.
    Wij hebben de link naar de website van het Repertorium verwijderd.

  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Rol van de forensisch arts
    De dienstverlening (advisering) door een forensisch arts is niet hetzelfde als zorgverlening door dezelfde arts of door een huisarts. De forensisch arts verstrekt de advisering niet in opdracht van een ingeslotene maar op verzoek c.q. in opdracht van politie/justitie ter borging van het recht op medische verzorging van de ingeslotene. De forensisch arts krijgt hierdoor soms noodgedwongen een 'duale' rol op het grensgebied tussen advisering aan derden (politie/justitie) en de eigenlijke medische behandeling van een ingeslotene. De forensisch arts is zich voortdurend bewust van deze 'duale' rol en zal dit ook duidelijk maken naar de betrokkene en de opdrachtgever. Aangezien er geen sprake is van een 'vrijheid van artsenkeuze' voor de betrokkene kan een medische (be)handeling alleen met toestemming en instemming van betrokkene plaats vinden. Op dat moment ontstaat er een in de wet (Wgbo) vastgelegde arts-patiënt relatie waarbij niet tegelijkertijd óók een adviserende rol kan worden vervuld. De situatie kan (niet noodzakelijkerwijze) leiden tot een scheiding van de adviserende rol t.o.v. de rol als behandelaar (met een medisch beroepsgeheim). Indien de betrokkene na uitleg door de forensisch arts instemt met de (be)handeling (die vaak ook niet erg ingrijpend zal zijn) kunnen beide rollen door dezelfde arts worden ingevuld. Indien de betrokkene hier niet mee instemt dient een tweede arts te worden geraadpleegd die dan uitsluitend als behandelaar optreedt om zo het recht op medische behandeling (met beroepsgeheim) te borgen.
    (Bron: o.a. Handboek Arrestantenzorg 2002; Elsevier; pg 170 -171)

    Zie ook:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Kosten arrestantenzorg
    Er blijkt nogal eens discussie te zijn wie de kosten van medische behandeling en advisering tijdens detentie dient te dragen. Hierover plaatsen we de volgende achtergrondinformatie:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Medische beoordeling bij intoxicaties
    Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) heeft de volgende richtlijnen uitgegeven (alleen voor artsen) over de beoordeling van intoxicaties waarbij de politie zal moeten worden geadviseerd over de zorg voor de ingeslotene. In januari en augustus 2009 verschenen de volgende persberichten:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Verslavingsproblematiek
    Veel kleine (en ook grote!!) criminaliteitsproblemen spelen zich af rondom de handel en het gebruik van verdovende middelen. Veel van de arrestanten met wie de forensisch arts in het cellenblok worden geconfronteerd blijken een verslavingsprobleem te hebben. Voor de forensisch arts is het dan ook van belang kennis te verwerven van de verslavingszorg en van de effecten van de gebruikte middelen. Op onze website gaan we hier in de toekomst aandacht aan besteden met aandacht voor de specifieke problematiek die de detentie in een politiecel met zich meebrengt. Een eerste aanzet hiertoe met de volgende informatie: ¥¥¥
    In Schotland heeft zich in December 2009 een uitbraak van antrax onder 14 heroïnegebruikers voorgedaan, in Duitsland (regio Aken) is 1 persoon gemeld. Het Trimbos instituut heeft verslavingsartsen in Nederland gevraagd alert te zijn op symptomen passend bij antrax.

    Vrijwel alle patiënten waren besmet door intraveneus, intramusculair of intracutaan drugsgebruik met waarschijnlijk besmette heroïne. Kenmerkende symptomen waren ontsteking en abcessen rondom de injectieplaats, veelal gevolgd door necrotiserende fasciïtis. In een enkel geval ontstond een sepsis welke binnen enkele uren fataal was. Twee personen ontwikkelden een beeld van een subarachnoïdale bloeding of hemorragische meningitis. Zeven van de 14 personen zijn overleden. De meeste ziektegevallen deden zich voor in de week van 28 december en men vermoedt dat het hoogtepunt van de uitbraak inmiddels voorbij is. Injectie van besmette heroïne, ontstaan tijdens transport van de heroïne in besmette dierenhuiden in het land van herkomst, wordt als meest waarschijnlijke oorzaak beschouwd. Besmetting door inhalatie (chinezen of basen), is minder frequent maar kan niet worden uitgesloten. De patiënt in Duitsland werd op 7 december 2009 opgenomen met een onderhuidse infectie ter plaatse van de injectieplaats. Na een necrotiserende fasciïtis is de patiënt overleden aan multi-orgaanfalen. Onderzoek naar mogelijk besmette heroïne en een relatie met het Schotse cluster is nog gaande.
    Meer informatie over deze gevallen: Het is bekend dat besmette heroïne bij injecterende drugsgebruikers ziekten als antrax en botulisme kan veroorzaken. De omvang van het antraxcluster in Schotland is echter bijzonder. In Nederland is het aantal injecterende drugsgebruikers afgelopen jaren aanzienlijk afgenomen, maar aangezien ook inhalatie tot besmetting kan leiden, heeft het Trimbos instituut uit voorzorg, zoals gebruikelijk bij signalen van besmette heroïne, verslavingsartsen in Nederland alert gemaakt op mogelijke antraxinfectie onder hun cliënten. Bij een verdenking is aanvullende diagnostiek (grampreparaat, PCR en/of kweek van wondvocht of bloed) noodzakelijk in samenspraak met een arts-microbioloog. Bij onverwachte overlijdensgevallen onder verslaafden is alertheid geboden. Gelet dient te worden op infecties van huid en spierweefsel, rondom een injectieplaats, en luchtweginfectie, en/of sepsis.


  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Richtlijn opiaatverslaafden
    Op 5 juni 2007 heeft het Forensisch Medisch Genootschap de volgende richtlijn uitgegeven die de komende jaren in de praktijk kan worden gebracht. Herziening volgde in maart 2009.
  • Terug naar overzicht inhoud


  • Taakveld lijkschouw

    De Wet op de lijkbezorging regelt wat er moet gebeuren als iemand komt te overlijden. Zo zijn er regels gegeven omtrent de lijkschouw en over begraven en cremeren. Burgemeester en wethouders dienen één of meerdere gemeentelijke lijkschouwers te benoemen. Indien er geen nabestaanden zijn, dient de burgemeester in de lijkbezorging te voorzien. De onderliggende uitvoeringsregelingen zijn nog een stuk gedetailleerder. Voor nabestaanden heeft de overheid een website ingericht met informatie over alle instanties die moeten, of automatisch worden, ingelicht na het overlijden.
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Handreiking en formulieren
    Het verrichten van een lijkschouw is primair de taak van de behandelend arts. In de praktijk blijken er veel vragen te zijn over de lijkschouw, wat is dat precies, waar moet op gelet worden, welke formulieren moeten ingevuld worden, wat is een niet-natuurlijke dood, etc. Met toestemming van de KNMG (waarvoor dank!) nemen we de tekst (met enkele kanttekeningen) van de kleine 'blauwe' brochure uit november 2005 over. Ook plaatsen we het model van de A-verklaring die door de behandelend arts moet worden afgegeven bij een natuurlijk overlijden en informatie over de B-verklaring. Het vaststellen van de dood kan door eenieder (met enig gezond verstand) geschieden. Daar blijken, ook bij veel (para)medici en zelfs bij verpleegkundigen, veel misverstanden over te bestaan. De vroegere praktijk van ambulancediensten om een overledene naar het ziekenhuis te vervoeren om daar de dood door een arts te laten vaststellen is in de laatste jaren niet meer gebruikelijk.
    De lijkschouw, en daar gaat het vaststellen van het overlijden logisch gesproken altijd aan vooraf, is echter voorbehouden aan de behandelend (*) arts of de gemeentelijk lijkschouwer: alleen zij mogen de aard van overlijden vaststellen en een doodsoorzakenverklaring afgeven.
    De lijkschouw is primair gericht op de vraag of er sprake is van een natuurlijke, dan wel een niet-natuurlijke dood. De arts vormt zich hierover een oordeel op basis van informatie over de toedracht verkregen van omstanders en nabestaanden, onderzoek van de omgeving, onderzoek van het lichaam van de overledene en, indien noodzakelijk, gegevens uit het medisch dossier.

    (*) In artikel 7, eerste lid, van de Wlb. wordt overigens niet gesproken van 'behandelend arts' maar van 'hij die de schouwing heeft verricht'.
    Zie hierover: Inspectie (IGZ) in 2004: 'Behandelend arts' in de Wet op de lijkbezorging

  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden
    Een 'natuurlijke dood' kan niet worden vastgesteld, zoals in de media regelmatig wordt gesuggereerd. Men kan in feite slechts de constatering uitspreken dat geen redenen aanwezig zijn om van het tegendeel uit te gaan. Als geen doodsoorzaak kan worden vastgesteld (of worden verzonnen...) is automatisch oftewel ex juvantibus, sprake van een natuurlijke dood, door welke oorzaak dan ook.

    In de praktijk blijken nogal eens misverstanden en onbegrip te bestaan over het onderscheid en het spraakgebruik rondom de beide begrippen en de criteria die daarvoor moeten worden gehanteerd. Belangrijk is om te onderkennen dat dit onderscheid niet zozeer feitelijk van belang is maar uitsluitend een zeer beperkt juridisch doel dient omdat de toepassing van wettelijke voorschriften daarmee wordt vastgelegd.

    De achterliggende gedachte van de wetgever is dat geen begraving of crematie van een overledene kan/mag plaatsvinden zonder dat het aspect van strafbaarheid en aansprakelijkheid in relatie tot het overlijden onderzocht of opgehelderd is.

    De omschrijving van de beide begrippen luidt:
      "Natuurlijk overlijden is overlijden door spontane ziekte of ouderdom, inclusief een complicatie van een 'lege artis' uitgevoerde medische behandeling."

      "Niet-natuurlijk overlijden is ieder overlijden dat (mede) het gevolg is van uitwendig (fysisch of chemisch) geweld, ook wanneer dit niet door menselijk toedoen is veroorzaakt, alsmede overlijden waarbij sprake is van opzet of schuld (van de overledene zelf of anderen)."
    Belangrijk in de definitie van niet-natuurlijk overlijden is het woordje 'gevolg'. Dit houdt in dat een externe factor op enig moment moet hebben bijgedragen aan het overlijden, m.a.w het overlijden zou niet of naar alle waarschijnlijkheid niet op het daadwerkelijke tijdstip van overlijden hebben plaatsgevonden zonder inwerking van de externe factor. Meer uitleg hierover en over de gang van zaken bij overlijden hebben we geplaatst op: In de Nederlandse situatie legt de wetgever tot nu toe de bijzondere verantwoordelijkheid van de beoordeling of er sprake is van natuurlijk of niet-natuurlijk overlijden bij de arts zelf (die de lijkschouw verricht) zonder dat een tweede onafhankelijk arts hierover een (mede)oordeel uitspreekt. Sinds 1 januari 2010 mag de arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    De gemeentelijk lijkschouwer heeft in de Nederlandse situatie uitsluitend een signalerende functie en rapporteert bij (een vermoeden van) een niet-natuurlijk overlijden aan de Officier van Justitie die helemaal zelf, al of niet na (on)gevraagd advies van de gemeentelijk lijkschouwer, mag besluiten of nader onderzoek noodzakelijk is. De gemeentelijk lijkschouwer is géén (buitengewoon) opsporingsambtenaar of een bevoegd gerechtelijk deskundige en is in principe niet verder betrokken bij dit nader onderzoek.

    Strafvorderlijke relevantie is, zoals vaak abusievelijk wordt gedacht, géén criterium bij het onderscheid tussen natuurlijke en niet-natuurlijke dood en speelt daarbij geen rol en behoort ook geen rol te spelen. Bij de meerderheid van de gevallen van niet-natuurlijk overlijden (ongevallen, verdrinking, zelfdoding) zal bij oriënterend nader onderzoek vastgesteld worden dat geen gronden bestaan voor strafrechtelijke vervolging. Voor het vaststellen van de causaliteit - het wettig bewijs dat het overlijden onomstotelijk en zonder twijfel is veroorzaakt door de externe factor - is nader onderzoek of een gerechtelijke obductie dan overbodig en niet noodzakelijk. Het stoffelijk overschot wordt vervolgens meteen weer 'vrijgegeven' door de Officier van Justitie.

    De vaststelling en/of de beoordeling of bij een niet-natuurlijk overlijden al of niet sprake is van een strafbaar feit is een zaak voor de Politie en de Officier van Justitie en behoort niet tot de bemoeienis van de gemeentelijk lijkschouwer.


  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Richtlijn lijkschouw door forensisch arts
    Op 1 april 2007 heeft het Forensisch Medisch Genootschap de volgende richtlijn uitgegeven, die in november 2009 werd herzien. De gemeentelijk lijkschouwer speelt geen enkele rol in het strafvorderlijk proces. Zo heeft de wetgever het ook bedoeld en omschreven in de artikelen 10 en 12 van de Wet op de lijkbezorging. Verlof tot begraving of crematie mag door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand (namens BenW) niet worden afgegeven zonder dat bij een niet-natuurlijk overlijden een verklaring van 'geen bezwaar' is afgegeven door de Officier van Justitie. De Wet op de lijkbezorging maakt geen onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering. Het is belangrijk om te bedenken dat een strafvorderlijk relevante verklaring van de gemeentelijk lijkschouwer over een niet-natuurlijke dood niet bestaat. De zgn. art.10 verklaring van de lijkschouwer, gericht aan de OvJ, zegt alleen maar dat er geen overtuiging bestaat over het feit dat het een natuurlijke dood betreft. Daarmee is de bemoeienis van de gemeentelijk lijkschouwer ten einde. De kosten voor de werkzaamheden van de gemeentelijk lijkschouwer komen ten laste van BenW van de gemeente van overlijden en niet ten laste van de Politie of het OM.
    In de functie van gemeentelijk lijkschouwer treedt de forensisch (werkzame) arts in Nederland alleen op in het kader van de Wet op de lijkbezorging en niet in dienst van Justitie. Het enige 'instrument' waarover de gemeentelijk lijkschouwer beschikt is de zgn. artikel 10 verklaring. Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet.
    Helaas blijkt een aantal forensisch (werkzame) artsen te denken dat zij als gemeentelijk lijkschouwer zouden beschikken over de bevoegdheden van een (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Dit is echter volstrekt onjuist. Voor de zekerheid, en voor degenenen die dit niet willen geloven, plaatsen we daarom de volgende informatie:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Weefsel- en orgaandonatie
    De Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) is opgericht in 1997 op gezamenlijk initiatief van de Nederlandse Transplantatie Vereniging en de toenmalige Stichting Eurotransplant Nederland. Meer informatie is te vinden op: In het modelprotocol postmortale orgaan- en weefseldonatie staan alle stappen uitgewerkt die een ziekenhuis dient te nemen bij een potentiële donor. Daarnaast is relevante achtergrond informatie opgenomen. Eind september 2009 vercheen de In deze richtlijn staat op pagina 5 een overzichtelijk schema over de te ondernemen acties bij het in gang zetten van een post-mortale donatie. In gevallen van niet-natuurlijk overlijden (of twijfel hierover) is altijd overleg noodzakelijk met de Officier van Justitie. Het is raadzaam om als eerste de lijst met contra-indicaties door te nemen als de mogelijkheid van post-mortale uitname van weefsels ter sprake komt (zie pg. 11 van bovenstaande richtlijn).
    Raadpleeg bij twijfel altijd de dienstdoende transplantatiecoördinator:

          tel 071 - 57 95 795 (24 uur/etmaal)

    Meer achtergrondinformatie over de wettelijke bepalingen: In mei 2007 verscheen een rapport van het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) betreffende een onderzoek naar de mogelijke effecten van invoering van een actief registratiesysteem van orgaandonoren.
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Euthanasie
    De gemeentelijk lijkschouwer speelt een rol bij de melding van euthanasie en is verantwoordelijk voor het verzenden van de noodzakelijke formulieren naar de regionale toetsingscommissie en de melding aan de Officier van Justitie. De forensisch (werkzame) arts spreekt geen oordeel uit over de zorgvuldigheid van de levensbeëindiging door de betrokken arts. De melding aan de Officier van Justitie is formeel noodzakelijk d.m.v. een art. 10 verklaring, met waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand, omdat het een niet-natuurlijke dood betreft. Na de melding zal de Officier van Justitie het stoffelijk overschot echter meteen weer vrijgeven (middels een mededeling van 'geen bezwaar' aan de ambtenaar van de burgerlijke stand) en geen verdere opsporings- of vervolgingsactiviteiten ondernemen. Hierover verscheen in 2003 (en opnieuw in 2007) de Sinds 1 juni 2009 is een nieuw model voor het verslag van de behandelend arts in verband met het melden van een euthanasie of hulp bij zelfdoding aan de gemeentelijk lijkschouwer van kracht (Staatsblad 16 april 2009, besluit 204). Het oude meldingsformulier kwam hiermee te vervallen.
    Het nieuwe modelverslag nodigt veel beter uit om antwoorden te motiveren, bijvoorbeeld welke therapeutische en palliatieve alternatieven met de patiënt zijn besproken of als er behandelalternatieven waren, waarom geen redelijke andere oplossing kon worden gevonden. ¥¥¥
    Artsen menen vaak dat patiënten met een verlaagd bewustzijn niet lijden en dat euthanasie daarom niet mogelijk is. Maar in sommige situaties mag dit wel. De KNMG heeft een richtlijn hiervoor uitgegeven. Deze brengt geen verruiming van de wet, maar heeft tot doel artsen houvast te bieden in deze moeilijke situatie. Als artsen hiernaar handelen is er in beginsel geen reden voor strafrechtelijk optreden. Een wilsverklaring van een patiënt biedt geen 'recht op euthanasie'. ¥¥¥
    Tevens ter informatie de jaarlijks verschijnende:
    • Jaarverslagen Regionale Toetsingscommissies Euthanasie
      Helaas werden de jaarverslagen van de jaren vóór 2008 om onduidelijke redenen weer van de website verwijderd.
      Recente veranderingen op de website van de Toetsingscommissie kunnen niet bepaald als verbetering worden opgevat.
    Uit het rapport van de Toetsingscommissie 2007:
    "Een belangrijk thema in 2006 vormde de palliatieve sedatie. Bij palliatieve sedatie gaat het om het opzettelijk verlagen van het bewustzijn van een patiënt in de laatste levensfase. De toegenomen belangstelling voor palliatieve sedatie betekent niet dat de vraag om euthanasie verdwijnt. Ondraaglijk lijden kan niet altijd door palliatieve sedatie worden opgeheven; bovendien zijn er patiënten die palliatieve sedatie uitdrukkelijk afwijzen en aangeven tot het eind toe bij bewustzijn te willen blijven."

    Uit het rapport van de Toetsingscommissie 2008:
    "De regionale toetsingscommissies euthanasie hebben 2.331 meldingen ontvangen in 2008. Dat is een stijging van 10 procent ten opzichte van 2007. Het aantal meldingen van euthanasie stijgt al sinds de inwerkingtreding van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in 2002. Alleen in 2006 stabiliseerde het aantal meldingen."

    Uit het rapport van de Toetsingscommissie 2009:
    "In 2009 hebben artsen 2.636 gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding gemeld, ruim driehonderd meer dan in 2008. In 2.443 gevallen ging het om levensbeëindiging op verzoek, oftewel euthanasie, in 156 gevallen om hulp bij zelfdoding en in 37 gevallen om een combinatie. In verreweg de meeste gevallen leden de mensen aan kanker. In negen gevallen heeft de arts niet volgens de regels gehandeld. Deze zaken zijn door de regionale toetsingscommissies doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Mogelijk speelt een rol dat artsen steeds minder vaak gevallen van euthanasie verzwijgen." Uit het rapport van de Toetsingscommissie 2010:
    "De vijf regionale toetsingscommissies euthanasie hebben in 2010 3136 meldingen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding ontvangen. Dit is een stijging van 19% ten opzichte van 2009. De stijging van het aantal meldingen die sinds 2006 is ingezet lijkt door te zetten. De oorzaak van deze toename is niet volledig bekend, maar het evaluatieonderzoek naar de werking van de euthanasiewet, dat in de tweede helft van 2012 afgerond zal zijn, zal onder meer dit onderwerp onderzoeken."

    ¥¥¥
    Op 10 mei 2007 werd een rapport over de evaluatie van de Euthanasiewet uitgebracht (in opdracht van het ministerie van VWS). De evaluatie werd uitgevoerd onder toezicht van de onderzoeksinstelling ZonMw. Het rapport werd aangeboden aan de staatssecretaris van VWS en de minister van Justitie. Artsen leven de zorgvuldigheidseisen voor euthanasie bijna altijd goed na, zo bleek. Het aantal uitdrukkelijke verzoeken om euthanasie of hulp bij zelfdoding daalde van 9.700 in 2001 naar 8.400 in 2005. Het rapport uit 2007 was beschikbaar via ZonMw maar werd om onduidelijke redenen weer van de website verwijderd: ¥¥¥
    In mei 2010 werd een burgerinitiatief aan de Tweede Kamer aangeboden. In september 2010 oordeelde de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven dat dit burgerinitiatief voldeed aan de door de Kamer gestelde voorwaarden. Daarmee werd het groene licht gegeven voor behandeling.
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen
    Artsen zijn verplicht gevallen van late zwangerschapsafbreking (na 24 weken) en levensbeëindiging bij pasgeborenen te melden. De centrale deskundigencommissie "Late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen" werd op 1 september 2006 ingesteld om het Openbaar Ministerie te adviseren. De commissie beoordeelt, op vergelijkbare wijze als de regionale toetsingscommissie bij euthanasie, of de artsen zorgvuldig hebben gehandeld.

    Ook hierbij dient de melding van het (niet-natuurlijk) overlijden plaats te vinden via de gemeentelijk lijkschouwer die de lijkschouw verricht en zorg draagt voor de melding aan de Officier van Justitie en het verzenden van de formulieren naar de deskundigencommissie.

    De beschrijving van deze speciale procedure en de contactgegevens zijn te vinden op: Op bovenstaande website staan ook de formulieren voor de gemeentelijk lijkschouwer die nodig zijn voor de melding en de administratieve afhandeling. Volgens de Wet op de lijkbezorging is bij late zwangerschapsafbreking na ten minste 24 weken sprake van een doodgeborene waarvoor de bepalingen van de wet m.b.t. begraving, crematie en ook de overige bepalingen van toepassing zijn. Volgens artikel 12a, tweede lid, van de wet dient in dat geval de gemeentelijk lijkschouwer, als hiertoe door de OvJ aangewezen arts, ook opgave te doen van de doodsoorzaak. Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.

    Sinds de installatie heeft de Commissie in 2007 slechs één melding ontvangen en behandeld van levensbeëindiging bij een pasgeborene. Tot dan toe ging men er van uit dat in Nederland jaarlijks bij benadering 15 keer het leven van een ernstig zieke en zwaar gehandicapte baby actief beëindigd werd. Dit kon niet door de Commissie worden bevestigd.
    Het jaarverslag over 2008 van deze commissie werd op 2 november 2009 aangeboden aan de ministeries van Justitie en WVS. Het gecombineerde verslag over 2009 en 2010 van deze Commissie is intussen verschenen en op de website van de Commissie te vinden. In 2010 werden drie meldingen behandeld.
    Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) heeft in juni 2010 de volgende richtlijn uitgegeven met een omschrijving van de uitvoering van de procedure:

  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Overlijden minderjarigen (NODO)
    Op 9 juni 2009 werd door de Eerste Kamer wetgeving aangenomen over de wettelijke verplichting om bij overlijden van minderjarigen altijd de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. Tot nu toe bleek het Forenisch Medisch Genootschap nog niet in staat om een overzicht van het jaar 2010 te leveren met het aantal keren dat dit overleg ook daadwerkelijk plaatsvond.
    De discussie hierover werd in gang gezet na het verschijnen van het rapport "Richtlijnen na het overlijden van Minderjarigen" van het Aviesbureau van Montfoort uit December 2000 dat op 27 mei 2001 werd uitgebracht aan de Ministeries van VWS en Justitie die hiertoe de opdracht hadden verstrekt.

    Het is onwaarschijnlijk dat de wetgeving over de NODO-procedure nog in 2011 van kracht wordt. De eerste ongewenste gevolgen van deze wetgeving begonnen zich in loop van 2010 af te tekenen. Het spreekt vanzelf dat de FOMAT de ontwikkelingen nauwgezet volgt: Helaas blijkt in de media en zelfs onder veel forensisch (werkzame) artsen de misvatting te zijn ontstaan dat de gemeentelijk lijkschouwer met de invoering van de NODO-procedure een soort 'extra bevoegdheid' zou verkrijgen om bij minderjarigen een obductie te (laten) verrichten. Dit is onjuist. De enige 'bevoegdheid' die ontstaat is de mogelijkheid om (bij weigering van toestemming door ouders en/of nabestaanden) een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van deze weigering bij de rechtbank c.q. vervangende toestemming te vragen. Dat is omschreven in het nieuwe (nog niet in werking getreden) artikel 74 van de Wet op de lijkbezorging. Bij de toelichting op de wetgeving kwam dit ter sprake in de Nota n.a.v. vragen Kamercommissie op pagina 26:

    "Denkbaar zou zijn geweest dat om die reden de wetgever - onder bepaalde voorwaarden - de lijkschouwer in het kader van de NODO-procedure de bevoegdheid tot sectie zou hebben gegeven. Toch is daarvoor niet gekozen, in het besef dat sectie een inbreuk op een grondrecht vormt, en dat er een forum moet zijn waarin desgewenst het algemeen belang van het achterhalen van de doodsoorzaak kan worden afgewogen tegen het belang van de ouders. Zoals uit de opzet van artikel 74 blijkt, is het uitgangspunt dat de rechter de toestemming verleent, indien de lijkschouwer daar in het kader van de NODO-procedure om verzoekt. De rechter kan niettemin de toestemming weigeren, indien hij bijvoorbeeld van oordeel is dat de ouders dat emotioneel absoluut niet aankunnen. Dit zal altijd een precaire afweging zijn, waarbij recht moet worden gedaan aan het neutrale karakter van het onderzoek, dat immers gericht is op het achterhalen van de doodsoorzaak, en niet op het opsporen van strafbare feiten."
    (Bron: Kamerstuk 30696, nr. 9).

    Het opvragen van gegevens is niets nieuws en nu ook al mogelijk in het kader van de lijkschouw. Bij de lijkschouw kan het medisch dossier altijd al worden ingezien - deze inzage is een normaal onderdeel van de lijkschouw (kennisname van de omstandigheden) en kan niet worden geweigerd door de behandelend (kinder)arts met een beroep op het beroepsgeheim. Belemmering van de lijkschouw is strafbaar gesteld volgens artikel 80 van de Wet op de lijkbezorging.
    De wetgever geeft geen omschrijving van de aard of omvang van de lijkschouw. Dit wordt overgelaten aan de beoordeling van de arts die de lijkschouwing verricht (volgens artikel 7 van de Wlb). Met toestemming van de ouders/nabestaanden (die overigens dan wel zelf voor de kosten daarvan moeten opdraaien) is obductie ook nu al altijd mogelijk (voor zowel minder- als meerderjarigen) volgens artikel 72 van de Wlb.. Ook ontstaat geen 'wettelijke plicht' om over te gaan tot toepassing van artikel 74. Met de afgifte van een artikel 10 verklaring (geldt ook bij twijfel) vervalt het vereiste van toestemming volgens artikel 73 en dient de Officier van Justitie een besluit te nemen over nader onderzoek en een evt. obductie, waarvan de kosten dan wel ten laste komen van de rijksoverheid. Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet. In de functie van gemeentelijk lijkschouwer 'acteert' de forensisch (werkzame) arts in Nederland alleen in het kader van de Wet op de lijkbezorging en niet als 'buitengewoon' opsporingsambtenaar volgens het Wetboek van Strafvordering.
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Ministerie zoekt naar uitvoeringsvorm NODO procedure
    Tijdens een Algemeen Overleg (AO) op 29 juni 2011 (over maatregelen Jeugdbescherming) heeft de Staatssecretaris van het MinVenJ meegedeeld dat een definitief voorstel over een alternatieve inrichting van de NODO-procedure wordt afgewacht.
    Een eerste voorstel als concept, met meer aandacht voor de rol van de kinderarts, is nog in ontwikkeling en werd opgesteld door de Universiteit Twente en TNO. Het Ministerie van V&J probeert om hiermee aansluiting te zoeken bij een project in Oost-Nederland (zie hieronder), zoals dat door de staatssecretaris in een debat op 8 februari 2011 werd aangekondigd. Het project bouwt voort op de uitgangspunten van de perinatale audit met een uitbreiding naar hogere leeftijdsgroepen. Een beschrijving van deze gang van zaken werd op 11 mei 2011 in een brief door de Staatssecretaris nog eens herhaald.
    Het is van belang de doelstelling van de NODO-procedure (opheldering van doodsoorzaken) niet te verwarren met de 'opsporing en vervolging' van (fatale) kindermishandeling met een 'forensische invalshoek'. Er ontstaat geen wettelijke verplichting tot opheldering van de doodsoorzaak. Daarmee zou het 'neutrale karakter' verloren gaan. Van een stijging van het aantal niet-natuurlijke doden bij minderjarigen blijkt, ná de invoering van de plicht tot overleg voor artsen in 2010 geen sprake te zijn. Aandacht is nodig voor het vergroten van het draagvlak van de medische beroepsgroepen voor de opheldering van doodsoorzaken. Dit omdat ook al of niet verwijtbare 'medische missers' deel kunnen gaan uitmaken van de NODO-procedure bij de opheldering van het zgn. onverklaard overlijden van minderjarigen. Dit doorkruist het principe van 'veilig melden'. Een dodelijk verlopende bijwerking van een volkomen 'lege artis' uitgevoerde medische behandeling is een calamiteit en leidt, in tegenstelling tot de gangbare opvattingen bij veel artsen, wel degelijk tot een 'niet-natuurlijk' overlijden. En in dat geval, ná de verplichte melding van het overlijden bij de gemeentelijk lijkschouwer, niet tot het in gang zetten van een 'neutraal' nader onderzoek, maar tot het onmiddellijk weer afbreken van een eventueel reeds gestarte 'veilige' NODO-procedure. Gevolgd door een onvermijdelijke artikel 10 melding aan de Officier van Justitie. En een onderzoek door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Niet verwonderlijk laat de 'bereidheid' tot melden te wensen over.
    De medewerking van de kinderartsen is cruciaal. Indien de kinderartsen om wat voor reden (of 'excuus') dan ook géén overleg plegen met de gemeentelijk lijkschouwer, of dit 'verzuimen', zal de NODO-procedure niet eens kunnen worden opgestart. Dan zullen de pogingen om te komen tot (uitvoerbare!) wetgeving blijken uit te monden in een volledig overbodige inspanning.

  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Oost-Nederland start met een innovatief project kindersterfte
    Eind 2009 is de Universiteit Twente in samenwerking met TNO-KVL (Innovation for Life) en de Universiteit van Münster (Institut für Rechtsmedizin) gestart met een haalbaarheidsonderzoek naar de introductie van 'Child Death Review' in de grensregio's van Duitsland en Nederland.
    Het project werd op 9 april 2010 gepresenteerd op een symposium Jeugdgezondheidszorg in het VU-Medisch Centrum in Amsterdam. Onderzocht worden alle gevallen van overlijden, zowel bij natuurlijke als bij niet-natuurlijke dood. Het project streeft naar samenwerking met de onderzoekers van de Stichting Perinatale Audit Nederland (PAN) en van de Stichting Wiegedood. Tevens wordt aansluiting gezocht bij de voorziene invoering van de NODO procedure waarbij alleen gevallen van onverklaard natuurlijk overlijden zullen worden onderzocht.
    De FOMAT is nauw betrokken geweest bij de opzet van dit innovatieve project en zal ook ondersteuning bieden bij de uitvoering. De FOMAT heeft nadrukkelijk gewezen op de dringende noodzaak van een volkomen vrijwillige medewerking en een adequate begeleiding van de ouders/nabestaanden. 'Opsporing en vervolging' van strafbare feiten maken op geen enkele wijze onderdeel uit van de werkwijze en de (vertrouwelijk verkregen) gegevens kunnen/mogen niet worden gebruikt voor civiel- of tuchtrechtelijke aanspraken. Het project is een logisch vervolg op de systematiek van de perinatale audit.

    "The great majority of unexpected deaths of children are not the result of neglect, abuse or inappropriate care, but are natural tragedies. It is important that the need to identify the relatively uncommon cases in which neglect or abuse has occurred does not lead to victimisation, inappropriate treatment, lack of care, or perceived suspicion of families experiencing what is arguably the worst and most painful process anyone can experience – the death of their child."
    Uit: Reviewing Childhood Deaths: Advanced training for rapid response teams


    Het project in Oost-Nederland is intussen, onder de naam SERRAFIM, van start gegaan.
    Dit sociaal-medische project mag/kan niet worden opgevat als een 'alternatief' voor de NODO-procedure. De bemoeienis van de forensisch arts blijft strict beperkt tot de gevallen van niet-natuurlijk overlijden en de juiste classificatie van doodsoorzaken. De inclusie van sterfgevallen in dit project staat geheel los van de wettelijke plicht tot overleg met de gemeentelijk lijkschouwer sinds 1 januari 2010.
    De eerste onderzoeksbevindingen werden op 11 november 2010 gepresenteerd tijdens een internationaal symposium. De inzet van een zgn. Rapid Response team maakt in Engeland een integraal onderdeel uit van het gehele proces dat daar bekend staat als 'Child Death Review'. Het kan daarvan niet worden losgekoppeld als een soort op zichzelf staande 'pseudo NODO-procedure', zoals door de staatssecretaris in antwoord op bovenstaande Kamervragen op 8 maart 2011 werd gesuggereerd en zoals dat op 18 mei 2011 in een Kamerdebat nog eens werd herhaald. Men lijkt nu een aansluiting te overwegen bij het project in Oost-Nederland. Het is nog maar helemaal de vraag of in Nederland wel voldoende draagvlak bestaat voor het actief ophelderen van doodsoorzaken. De enorme weerstanden die worden opgeworpen tegen de NODO-procedure spreken voor zich.
    Het SERRAFIM project wordt voor een heel klein gedeelte gefinancierd door het Ministerie van VWS (voorheen Jeugd en Gezin) via ZonMw. Het project in Oost-Nederland heeft een sociaal-medische en geen forensische invalshoek.
    In Duitsland richt dit project zich met name op de preventie en het onderzoek van wiegendood.
    Meer (duitse) informatie is te vinden op:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Opsporing: Plaats Delict
    De gemeentelijk lijkschouwer heeft in Nederland slechts een signalerende functie en verricht zijn/haar werkzaamheden uitsluitend in opdracht van Burgemeester en Wethouders in het kader van de Wet op de lijkbezorging. Dit met name om in gevallen van overlijden waarbij geen arts beschikbaar of bekend is, te voorzien in de noodzakelijke formaliteiten en de beoordeling of er sprake is van een natuurlijke of niet-natuurlijke dood. De Wet op de lijkbezorging maakt geen onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering.

    In de praktijk blijkt helaas dat het niet altijd duidelijk is wat de rol, de taak, de bevoegdheden en de beperkingen zijn van de gemeentelijk lijkschouwer. Met name bij veel politie-ambtenaren, bij het OM en zelfs bij forensisch (werkzame) artsen, heersen hierover een aantal misverstanden.
    In de Nieuwsbrief 2005 nr.2 van het Forensisch Medisch Genootschap werd hier ook aandacht aan besteed. "Lang niet elk sterfgeval is ook een Plaats Delict (PD). Wanneer wordt een 'lijkvinding' een PD? Welke criteria spelen daarbij voor forensisch arts en politiefunctionarissen een rol? De gewenste deskundigheid van forensisch artsen en recherche zijn vaak omgekeerd evenredig bij 'lijkvindingen'. Als een misdrijf of strafbaar feit evident is, dan is de rol van de gemeentelijk lijkschouwer in principe vrij marginaal", aldus de Nieuwsbrief.

    De gemeentelijk lijkschouwer staat ook min of meer buitenspel met het afgeven van de 'artikel 10 verklaring' op grond van de Wet op de lijkbezorging. De gemeentelijk lijkschouwer is nu eenmaal géén bevoegd (buitengewoon) opsporingsambtenaar of medewerker in dienst van de politie of het Openbaar Ministerie. De gemeentelijk lijkschouwer speelt geen enkele relevante rol in het strafvorderlijk proces. Het vaststellen van de causaliteit - het wettig bewijs dat het overlijden zonder twijfel is veroorzaakt door een strafbaar feit - kan alleen d.m.v. een gerechtelijke obducte geschieden. Als de situatie echter vaag en onduidelijk is dan is juist grote oplettendheid en deskundigheid van de schouwarts vereist. In november 2005 verscheen n.a.v. de juridische dwalingen in de 'Schiedammer Parkmoord' een rapport waarin de marginale rol van de eerste lijns forensisch arts als gemeentelijk lijkschouwer nog eens duidelijk werd onderstreept: Ook met de aanpassingen in de Wet op de lijkbezorging, die sinds 1 januari 2010 in werking is getreden, blijven de taken en de positie van de gemeentelijk lijkschouwer ongewijzigd:
    ¥¥¥
    Bij het uitvoeren van een lijkschouw is het van belang om zich te verdiepen in de methoden en technieken die de politie gebruikt. De volgende publicatie is de moeite van het doorlezen waard: Ter informatie plaatsen we ook het overzicht van het NFI van maart 2007 over de in ontwikkeling zijnde zgn. 'forensisch technische normen' (FT-normen) en informatie over de gerechtelijke obductie: In november 2007 werden de volgende FT-normen gepresenteerd:
    FT 1000.01 Schriftelijke en fotografische registratie van een slachtoffer op de plaats delict
    FT 1000.03 Verpakken van het slachtoffer op de plaats delict
    FT 1000.04 Het vervoer van het in beslaggenomen slachtoffer voor een vervolgonderzoek
    FT 1000.05 De opslag, het beheer en de inrichtingseisen van een politiemortuarium voor een in beslaggenomen slachtoffer (voor een vervolgonderzoek)
    FT 1200.01 Lijkschouw

    Deze FT-normen hadden een ingangsdatum van 1 januari 2008, met uitzondering van 1000.05 waarvoor een overgangsperiode van een jaar gold, gezien de infrastructurele eisen die de norm oplegde. Deze norm is per 1 januari 2009 van kracht geworden. De FT-norm 1200.01 is zodanig opgesteld dat deze overeenkomt met de FMG richtlijn voor de lijkschouw:
    ¥¥¥
    In de praktijk wordt vaak gesproken over de "inbeslagneming" van het stoffelijk overschot. In juridische zin zou daarvan sprake kunnen zijn, omdat het stoffelijk overschot als "voorwerp" zou kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Er moet dan overigens wel sprake zijn van een vermoeden van strafbare feiten of een niet natuurlijke dood, immers de inbeslagneming kan alleen in het kader van een opsporingsonderzoek plaatsvinden. Volgens de wettelijke regelingen m.b.t. de strafrechtelijke inbeslagneming in relatie tot de bepalingen over het vervoer en de bewaring van stoffelijke overschotten, is het gebruik van het begrip "inbeslagneming" in dit kader niet op zijn plaats. Het begrip "lijk of lijken" zoals omschreven in de Wet op de lijkbezorging voldoet niet aan de beschrijving van het begrip "voorwerp" zoals opgenomen in art. 33 a, lid 4, Sr. en art. 94a, lid 5, Sv.: onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. De t.a.v. het stoffelijk overschot te treffen maatregelen zijn te allen tijde gericht op het verkrijgen van een verlof tot begraving of verbranden.
    Vervoer (verplaatsing) van het stoffelijk overschot bij een (vermoeden van) een niet-natuurlijk dood is echter, op grond van het bepaalde in art. 76 van de Wlb, alleen mogelijk met toestemming van de Officier van Justitie. Het stoffelijk overschot verkeert derhalve 'in berusting' op last van het Openbaar Ministerie. Totdat het stoffelijk overschot door de Officier van Jusititie is vrijgegeven wordt daarmee de Politie (of het OM) verantwoordelijk voor de kosten van vervoer en bewaring. De kosten van een opsporingsonderzoek kunnen niet ten laste van het stoffelijk overschot c.q. de overledene of de nabstaanden worden gebracht.

    ¥¥¥
    Bij de sporenverzameling speelt het bepalen van DNA-profielen een belangrijke rol. Uitgebreide informatie hierover is te vinden op de:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Kosten lijkschouw
    Er blijkt in de praktijk nogal eens discussie te ontstaan over de instantie die de kosten dient te dragen voor de uitvoering van de lijkschouw door de gemeentelijk lijkschouwer. Veel artsen, waaronder zelfs een aantal forensisch (werkzame) artsen, blijken te denken dat de de gemeentelijk lijkschouwer 'in opdracht' werkt voor de Officier van Justitie (OM).
    Hierover plaatsen we de volgende achtergrondinformatie:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Vervoer stoffelijk overschot
    Voor het transport van een stoffelijk overschot naar het buitenland is internationale wetgeving van belang. Hiervoor dient door de Burgemeester een zgn. "laissez-passer" te worden afgegeven. Omdat hiervoor ook medische informatie (doodsoorzaak) wordt gevraagd zal de Burgemeester (ambtenaar van de burgerlijke stand) zich tot de arts of de gemeentelijk lijkschouwer wenden die een verklaring van overlijden heeft afgegeven. In de praktijk stuit dit op een probleem i.v.m het beroepsgeheim. Vandaar dat we over dit transport, de wetgeving en de noodzakelijke formulieren meer uitgebreide informatie plaatsen. Het "laissez-passer" wordt verstrekt door de Burgemeester (ambtenaar burgerlijke stand) van de gemeente van overlijden en niet door een arts. De Burgemeester is (als bevoegde autoriteit) samen met de begrafenisondernemer verantwoordelijk voor het naleven van de voorschriften voor het vervoer van stoffelijke overschotten. De forensisch arts, of een (huis)arts die de verklaring van overlijden heeft afgegeven, is hierbij (vanwege het vermelden van de doodsoorzaak) slechts zijdelings betrokken.
    Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.


  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Overlijden na medisch handelen
    Indien een patiënt overlijdt als gevolg van een al of niet vermeende medische fout of misser is er sprake van twijfel aan een natuurlijk overlijden. In de praktijk kan dit een precaire en verwarrende situatie opleveren. We plaatsen hierover de volgende achtergrondinformatie:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • Taakveld psychiatrie

    ¥¥¥
    In de dagelijkse praktijk wordt de forensisch geneeskundige regelmatig door de politie ingeschakeld voor de beoordeling van personen die mogelijk moeten worden toegeleid naar de GGZ. Van belang is hierbij om kennis te nemen van het
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Toepassing Wet BOPZ
    Als er evident sprake is van een psychose zal de GGZ moeten worden ingeschakeld voor een nadere beoordeling in het kader van de De evaluatiecommissie trok de conclusie dat de Wet bopz niet toekomstbestendig zal zijn en deed de aanbeveling om de Wet bopz te vervangen door een nieuwe regeling waarin het uitgangspunt van «passende zorg» voor de psychiatrische patiënt centraal staat. Zij schetste daarbij de contouren van een dergelijke nieuwe regeling.
    N.a.v. het rapport van de commissie stuurde het kabinet op 18 december 2007 een brief naar de Tweede Kamer. Meer dan drie jaar na het verschijnen van het evaluatierapport volgde het wetsvoorstel. Het zal nog geruime tijd in beslag nemen voordat de nieuwe regeling van kracht wordt. Vanzelfsprekend volgt de FOMAT de ontwikkelingen.
    We plaatsen de volgende achtergrondinformatie: ¥¥¥
    Niet iedereen met 'afwijkend' gedrag heeft een psychose. Een aantal van de personen die door ons, op verzoek van de politie worden gezien blijken soms reeds langer bekend te zijn in het circuit van de GGZ. Sommigen van hen zijn bekend als 'veelplegers' die vaak al een indrukwekkend aantal contacten met justitie hebben gehad. In mei 2006 verscheen een rapport van de Gezondheidsraad over de ¥¥¥
    Er ontstaat nogal eens onbegrip en zelfs wat irritatie als bij de beoordeling blijkt dat er geen indicatie is voor een 'gedwongen' opname. Ter informatie (met name voor politieambtenaren) plaatsen we daarom ook wat nadere en verklarende uitleg over:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Overlast en zorgmijdend gedrag
    Soms wordt de politie ingeschakeld door derden (familie, buren, omstanders) als er sprake is van overlastgevend gedrag. Ook als er geen sprake is van strafbare feiten of overtredingen worden deze mensen door politie-ambtenaren (vaak ten einde raad en met een beroep op art. 2 van de Politiewet) overgebracht naar het politiebureau. Het politiebureau kan echter niet beschouwd worden als een inrichting voor maatschappelijke opvang of als een instelling voor verslavingszorg. Een nadere beschouwing over deze problematiek, waar het raakvlakken met de forensische geneeskunde betreft, is noodzakelijk. De FOMAT plaatst over dit onderwerp de volgende:
  • Terug naar overzicht inhoud



  • Taakveld Medische Advisering


    ¥¥¥
    Uit het beroepsgeheim vloeit voor de behandelend arts een zwijgplicht voort over hetgeen hem tijdens zijn beroepsuitoefening over een patiënt bekend is geworden. Dit moet ruim uitgelegd worden. In verband met de relatie tot de patiënt, kan het moeilijk zijn onbevooroordeelde conclusies en oordelen te geven. Een verwijt van subjectiviteit kan snel worden geuit zonder dat de arts in staat zal zijn zich daartegen behoorlijk te verdedigen.

    De behandelend arts moet ervoor zorgen dat aan anderen dan de patiënt géén inlichtingen over de patiënt dan wel inzage of afschrift van (een deel van) het dossier, worden verstrekt. In beginsel mag de arts slechts met toestemming van de patiënt zijn zwijgplicht doorbreken. Zekerheidshalve zwijgt de arts over alles dat hij over de patiënt in het kader van de behandeling weet of te weten is gekomen.

    De reden waarom een behandelend arts geen geneeskundige verklaringen behoort af te geven is om de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de arts niet te schaden of op het spel te zetten. Deze relatie kan aangetast worden als het oordeel dat de arts geeft in zijn geneeskundige verklaring geeft niet gunstig is voor zijn patiënt. Een behandelend arts wordt niet geacht objectief te zijn ten opzichte van zijn patiënt.

    De zwijgplicht betreft niet alleen medische kennis, maar geldt ook ten aanzien van gegevens van andere aard. De zwijgplicht geldt in principe ten opzichte van iedereen en derhalve ook tegenover de politie en justitie. De achterliggende gedachte is, dat iedereen die medische hulp nodig heeft zich zonder vrees voor verhoor of aanhouding moet kunnen wenden tot een arts of ziekenhuis.

    De NVZ vereniging van ziekenhuizen heeft over de contacten tussen ziekenhuizen en politie/justitie in 2004 de volgende publicatie uitgebracht: Meer informatie over dit onderwerp:
  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Geneeskundige verklaringen.
    De KNMG heeft als standpunt dat een behandelend arts géén verklaringen of beoordelingen afgeeft over een eigen patiënt. Dit hoort niet tot de taak van de behandelend arts. Het kan immers de vertrouwensrelatie tussen behandelend arts en patiënt onder druk zetten. Dergelijke verklaringen mogen alleen worden afgegeven door een onafhankelijke arts. De onafhankelijke arts kan een eigen beoordeling maken van de situatie. Zonodig kan de onafhankelijke arts, met toestemming van de patiënt, extra informatie opvragen bij de behandelend arts(-en). Om patiënten uit te leggen waarom de behandelend arts geen verklaring afgeeft heeft de KNMG een zogenaamd 'weigeringsbriefje' opgesteld om dit standpunt nader uit te leggen. (Bron: Overzicht KNMG publicaties vanaf 1998 )

    ¥¥¥
    Richtlijn letselrapportage
    Het Forensisch Medisch Genootschap heeft in oktober 2009 een verbeterde richtlijn uitgegeven over de letselbeschrijving in geneeskundige verklaringen. Deze richtlijn beschrijft de wijze waarop een letselrapportage tot stand komt en de eisen waaraan de rapportage moet voldoen. Een letselrapportage is bestemd voor politie of justitie. De (medische) waarnemingen en omschrijvingen dienen uitsluitend ter documentatie van objectief vastgestelde en vast te stellen bevindingen zonder dat hier een strafvorderlijk oordeel aan verbonden kan worden. Dergelijke oordelen kunnen alleen door hiertoe bevoegde en benoemde gerechtelijk deskundigen worden afgegeven. Interpretaties (of nog erger: speculaties) dienen bij letselrapportages achterwege te blijven (niet behorend tot de vraagstelling). Het is de vraag of in Nederland wel 'behoefte' bestaat aan een groot aantal deskundigen op dit gebied. Er zijn nu eenmaal bepaalde verrichtingen die zo zelden voorkomen dat vrijwel niemand daar ervaren in kan raken. Dat is geen schande. Het is dan ook beter om dat gewoon te erkennen en de opdracht terug te geven en/of door te verwijzen naar een specialist die wel regelmatig dit soort vragen en opdrachten verstrekt krijgt en zich echt verdiept heeft in de materie. Op dit terrein is (net als bij de nog steeds niet ingevoerde NODO-procedure) centralisatie dringend aan te bevelen.

  • Terug naar overzicht inhoud


  • ¥¥¥
    Advisering t.a.v. vreemdelingen
    Artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 luidt:

    "Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen."

    Normaal gesproken wordt de medische beoordeling met betrekking tot dit wetsartikel in handen gelegd van het Bureau Medische Advisering (BMA) dat onderdeel uitmaakt van de Immimigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Minsterie van Justitie.
    In 2004 verscheen hierover een belangwekkende rapportage die meestal als het 'Rapport Smeets' wordt aangeduid: ¥¥¥
    In sommige gevallen kan het voorkomen dat in de uitzettingsprocedure op het laatste moment nog een beroep wordt gedaan op het voornoemde wetsartikel. Daarbij kan de dienstdoende forensisch geneeskundige om een advies wordt gevraagd.
    In juni 2006 verscheen een rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de werkwijze en het functioneren van het BMA. Tevens werden in dit rapport een aantal aanbevelingen gedaan over de wijze waarop dit soort advisering tot stand dient te komen. Er worden regelmatig vraagtekens gezet bij de wijze waarop de artsen van het BMA tot hun (onafhankelijk?) medisch advies aan Jusititie komen. Dit werd in het begin van 2011 in een uitzending van de televisie-rubriek Zembla opnieuw aan de kaak gesteld. ¥¥¥
    Op 19 december 2007 heeft de Commissie ‘Medische zorg aan (dreigend) uitgeprocedeerde asielzoekers en illegale vreemdelingen’, ook wel genoemd de Commissie Klazinga, het rapport Arts en Vreemdeling uitgebracht.
    Zowel de juridische, politieke als financiële kaders kunnen op gespannen voet staan met het medisch ethische principe om zorg te verlenen aan een ieder die dat nodig heeft. De commissie komt in haar rapport met adviezen en richtlijnen voor artsen hoe met deze situaties om te gaan en bevat ook voor andere betrokkenen aanbevelingen hoe te waarborgen dat de artsen de door hun noodzakelijk geachte zorg adequaat kunnen verlenen. Taalproblemen mogen daarbij geen belemmering vormen:

  • Terug naar overzicht inhoud


  • Algemene informatie

    In tegenstelling tot wat vaak wordt verondersteld heeft ook de forensisch geneeskundige, net als alle artsen, wel degelijk een medisch beroepsgeheim.
    De geheimhoudingsplicht in de gezondheidszorg is gerelateerd aan de persoonlijke levenssfeer (zie art. 7:457 BW, art. 218 WvSv) en het algemeen belang. Het beroepsgeheim waarborgt dat patiënten niet schromen van de gezondheidszorg gebruik te maken. Uitsluitend als aan een aantal stricte criteria wordt voldaan kunnen inlichtingen aan derden worden verstrekt over hetgeen de arts in het kader van zijn beroepsuitoefening ter kennis is gekomen óf gebracht. Vandaar dat we op onze website hier aandacht aan besteden.

    ¥¥¥
    Het medisch beroepsgeheim
    ¥¥¥
    Op deze pagina van de website zullen regelmatig nieuwe van belang zijnde publicaties worden opgenomen en ook (pdf) documenten die kunnen worden gedownload.



    Terug naar begin pagina