In de praktijk komen regelmatig vragen naar voren over wie in bepaalde situaties de kosten moet dragen voor de werkzaamheden van de gemeentelijk lijkschouwer. Zonder dat de FOMAT hierover een standpunt wil innemen of een oordeel wil vellen, plaatsen we (met bronvermeldingen) de navolgende achtergrondinformatie over dit onderwerp. We zullen deze informatie de komende tijd uitbreiden.
Kostentoerekening voor de lijkschouw
Overzicht inhoud
- Inleiding
- Historisch perspectief
- Taak gemeentelijk lijkschouwer
- Taakverschuivingen
- Standpunt VNG
- Standpunt in wetswijziging Wlb
- Standpunt Justitie
Inleiding
Lijkschouwing door de behandelend arts vindt niet plaats om de dood vast te stellen - daartoe is een ieder bevoegd - maar om de aard van het overlijden vast te stellen en, indien er sprake is van een natuurlijk overlijden, een verklaring van overlijden (A-verklaring) op te stellen. Deze verklaring van overlijden is noodzakelijk om daarmee een verlof tot begraving of verbranding te verkrijgen van de ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van overlijden opstelt. De Wet op de lijkbezorging (Wlb) geeft geen definitie van lijkschouw. In de praktijk komt het neer op een uitwendige lijkschouw. Nederland kent tot op heden geen enkel wettelijk voorschrift om de doodsoorzaak door een sectie (obductie) vast te stellen. Enige bemoeienis van Politie of Justitie met deze gang van zaken is niet noodzakelijk.In de meeste situaties van overlijden (meer dan 90%) zal de behandelend arts een natuurlijke dood vaststellen. In deze gevallen blijft de gemeentelijk lijkschouwer buiten beeld. Het bezoek van de behandelend arts aan de overledene behoort tot de reguliere zorg binnen de arts-patiënt-relatie. Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. De postmortale zorg is onlosmakelijk verbonden is met de zorg bij leven van de patiënt. Tegenover de wettelijke verplichting (artikel 7, lid 1 van de Wlb) tot het opmaken en afgeven van een verklaring van overlijden door de behandelend arts (of diens waarnemer) hoort geen separate geldelijke beloning te staan zoals dit werd onderbouwd en verwoord in de: Met de invoering van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2006 verdween het abonnementssysteem voor ziekenfondsverzekerden en het verrichtingensysteem voor particulier verzekerden en werd vervangen door een gemengd tariefsysteem (inschrijvingstarief, consulten en drie modules) voor alle verzekerden. Er is een consulttarief en een visitetarief tot 20 minuten én een consulttarief en een visitetarief langer dan 20 minuten dat door de behandelend (huis)arts voor de bij hem/haar op naam ingeschreven patient bij de ziektekostenverzekeraar in rekening kan worden gebracht.
Het vaststellen van het overlijden is op te vatten als een medische handeling t.a.v. de ingeschreven verzekerde en derhalve kan door de behandelend arts (of diens waarnemer) vrijwel altijd een visitetarief in rekening worden gebracht (het vaststellen van de dood en het uitvoeren van een lijkschouw tijdens een consult in de spreekkamer is een uitermate onwaarschijnlijke gang van zaken).
In het kader van de visite kan na het vaststellen van daadwerkelijk overlijden de wettelijk voorgeschreven lijkschouwing worden verricht en daarna het A-formulier en het B-formulier (in gesloten envelop) aan de nabestaanden worden uitgereikt. Die kunnen zich, evt. via een uitvaartondernemer, met deze formulieren vervoegen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van overlijden.
Indien de behandelend arts van de overledene om wat voor reden dan ook (dus ook bij twijfel!) meent niet tot afgifte van een verklaring van natuurlijk overlijden te kunnen overgaan dient onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer in kennis te worden gesteld. Aldus is bepaald in artikel 7, lid 3, van de Wet op de lijkbezorging.
Hoewel het in de praktijk zelden wordt gebruikt (telefonische melding voldoet ook aan het wettelijk voorschrift) heeft de wetgever hier het volgende formulier (als een soort verwijsbrief) voor vastgesteld: Het schrijven van een verwijsbrief wordt door de ziektekostenverzekeraar opgevat als een onderdeel van een consult of een visite. Een ongevraagde visite na een sterfgeval kan door de behandelend arts niet op naam van de overleden verzekerde gedeclareerd worden, tenzij de situatie een dergelijke visite medisch gezien noodzakelijk maakt.
(Bron: Declaratiewijzer LHV)
Door de vergoeding middels een visitetarief aan de behandelend arts wordt de lijkschouwing door de behandelend arts sinds 1 januari 2006 in feite vergoed door de ziektekostenverzekeraar.
Indien bij een overlijdensgeval geen behandelend arts beschikbaar is of niet bekend is wie de behandelend arts is dient de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. In de praktijk betekent dit dat alle gevallen waarbij er sprake is van een niet-natuurlijke dood (of twijfel hieraan) de gemeentelijk lijkschouwer in actie dient te komen.
In het geval dat ook de gemeentelijk lijkschouwer ook niet tot de overtuiging komt van een natuurlijk overlijden (en bij twijfel) wordt een zgn. artikel 10 verklaring opgesteld met kennisgeving aan de Officier van Justitie en waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Volgens de Wet op de lijkbezorging (artikel 4) benoemen Burgemeester en Wethouders de gemeentelijke lijkschouwer(s) en verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. De Wet op de lijkbezorging (artikel 5) schrijft voor dat vanaf 1 januari 2010 uitsluitend artsen, die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer. Een gemeentelijke lijkschouwer die niet is ingeschreven in dit register kan tot drie jaar na 1 januari 2010 oftewel t/m 31 december 2012 als zodanig benoemd blijven.
Het is belangrijk te onderkennen dat de taak van Burgemeester en Wethouders, om voorzieningen te treffen in verband met de lijkschouw, in oorsprong niet in de wet werd opgenomen om daarmee de opsporingstaken van politie en justitie te ondersteunen. De wetgever beoogde met deze bepalingen uitsluitend de lijkbezorging uniform te regelen en te waarborgen dat een betrouwbare vastlegging van doodsoorzaken tot stand kwam.
Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij overlijden en doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.
Historisch perspectief
Onder Franse invloed en wetgeving is vanaf 1795 in Nederland geleidelijk een uniforme, landelijke registratie van huwelijken, geboorte en sterfte tot stand gekomen. De burgerlijke stand als systeem van registratie werd daarbij in alle gemeenten in het gehele land ingevoerd. Groeiende politiek-maatschappelijke en medisch-hygiënische belangstelling voor de (vaak erbarmelijke) gezondheids- toestand van de bevolking en de behoefte daar iets aan te doen, leidde in verschillende West-Europese landen, waaronder Nederland, rond het midden van de 19e eeuw tot het opzetten van een systematische registratie van de sterfte naar doodsoorzaken en bewerking tot een statistisch overzicht.Een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling van de sterftestatistiek is de verplichte invoering in 1811, krachtens Keizerlijk decreet (Code Napoléon), van registers van de burgerlijke stand voor alle gemeenten op dezelfde wijze.
Na de Franse bezetting en de terugkeer tot de nationale onafhankelijkheid in 1813 bleef het centrale gezag gehandhaafd. Ook het systeem van de burgerlijke stand en de verplichte vorm van registreren bleef sindsdien gewoon bestaan. In 1838 werd de Code Napoléon vervangen door het Burgerlijk Wetboek, met daarin richtlijnen voor het registreren van sterfte die vrijwel overeen kwamen met die van de Code Napoléon. Iedere gemeente was verplicht een sterfteregister bij te houden. Alleen personen die directe kennis hadden van het overlijden mochten aangifte doen. Daarbij werd door de ambtenaar van de burgerlijke stand naam, leeftijd, beroep, woongemeente en dag en tijd van overlijden vastgelegd.
Sinds de inwerkingtreding op 1 november 1865 (Stb 64) van de Wet op de uitoefening van de geneeskunst (Stb 60) zijn geneeskundigen volgens artikel 5 verplicht tot het opmaken van een geneeskundige verklaring van het feit van overlijden en tot een zo nauwkeurig mogelijk opgave van de doodsoorzaak. De bedoeling hiervan was, aldus de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp van 1861-1862, het gevaar van het begraven van schijndoden te voorkomen. Een tweede grond was, volgens de Memorie van Toelichting, 'de behoefte aan een goed ingerichte sterftestatistiek, waarin de opgaven van de vermoedelijke oorzaken van de dood niet ontbreken' (Handelingen, 1861-1862). En dat kon alleen als alle artsen hun medewerking aan de sterftestatistiek zouden verlenen, want zonder zo'n wettelijke verplichting zouden 'de opgaven onvolledig moeten blijven en daardoor haar nut geheel of grotendeels missen'. Alleen de behandelend arts die de overledene tijdens zijn laatste ziekte had behandeld, mocht de overlijdens- en doodsoorzaakverklaring opmaken. Voor die gevallen waarin een verklaring van de behandelend arts ontbrak, bijvoorbeeld omdat de overledene geen behandelend arts had, diende een door Burgemeester en Wethouder aan te wijzen arts de lijkschouwing te doen en de overlijdensverklaring af te geven. Bij een vermoeden van een misdrijf moest de officier van Justitie ingelicht worden en werd door de gerechtelijke lijkschouwer, eveneens een arts, de overlijdensverklaring opgesteld. Volgens de Wet op de uitoefening van de geneeskunst van 1865 moesten de geneeskundigen daarbij naar hun overtuiging, maar met inachtneming van hun eed/belofte van geheimhouding, zo nauwkeurig mogelijk opgave doen van de doodsoorzaak. De overlijdensverklaring, met opgave van de doodsoorzaak, moest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand worden overlegd, met het oog op het verkrijgen van schriftelijk verlof tot begraven.(*) Zonder zo'n door een arts opgestelde verklaring mocht formeel geen schriftelijk verlof tot begraven worden gegeven.
Bron: Sonsbeek, JLA, Maarseveen, JGSJ van.
Van de schaduw des doods tot een licht ten leven
De historie van de methodiek van de doodsoorzakenstatistiek in Nederland 1865-2005
CBS, Voorburg/Heerlen, 2005.
(accenturering toegevoegd door de FOMAT) (*)
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog leidde de directe opgave van de doodsoorzaak bij of via de gemeenteambtenaar tot problemen in de 'juistheid' van deze opgave en tot een verandering in de wet:
-
De B-verklaring moet anoniem worden verstuurd
Het CBS waakt scherp op de 'niet-herleidbaarheid' van de gegevens
(zie hierna)
¥¥¥
Het begrip 'natuurlijke dood'
In 1949 werd door de regering een speciale commissie benoemd die zich, naast het regelen van de mogelijkheid tot crematie (hetgeen toen nog niet mogelijk was), en het medisch beroepsgeheim ook uitsprak over afgifte van de verklaring van overlijden. Deze commissie werd bekend onder de naam van haar Voorzitter L. F. C. van Erp Taalman Kip, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. In de Memorie van Toelichting bij de voorgestelde wetswijziging van de oude Begraafwet (die ook wel Begrafeniswet werd genoemd) uit 1869 werden de voorstellen van de commissie bechreven:
Let op. De volgende tekst is inmiddels zestig jaar oud (!)
(accenturing toegevoegd door de FOMAT)
"Ten aanzien van het probleem der verklaringen van overlijden meent deze commissie de aanvaarding van een nieuw systeem te kunnen aanbevelen. Volgens dit stelsel mag de behandelende arts een verklaring van overlijden slechts afgeven ingeval van een natuurlijke doodsoorzaak. Bij niet-natuurlijke doodsoorzaak onthoudt hij zich van het afgeven van enige verklaring. In de gevallen, waarin hij tot verklaring bevoegd is, kan hij dus steeds naar waarheid verklaren, dat de doodsoorzaak een natuurlijke is. Hiermede kan ook uit een oogpunt van beroepsgeheim nimmer iets miszegd zijn. Slechts maakt het stelsel in zoverre enige inbreuk op dat geheim, dat uit het niet afgeven van een verklaring van overlijden door een behandelende arts t.a.v. een zijner patiëenten wellicht gevolgtrekkingen gemaakt zullen worden. De Commissie meent, dat deze inbreuk op het beroepsgeheim der geneeskundigen gerechtvaardigd wordt door andere algemene belangen, met name het belang van de opsporing van strafbare feiten. Ook het medische beroepsgeheim is immers in het belang van aller welzijn erkend; het kan dus onder omstandigheden tegen andere publieke belangen worden afgewogen en de commissie meent, dat in dit licht gezien haar stelsel niet aan de waarde van dit geheim te kort doet. Tegenover deze beperking van het medische beroepsgeheim staat trouwens aan de andere kant een versterking daarvan. Het is nl. niet nodig dat de geneeskundige de doodsoorzaak nader omschrijft; hij behoeft slechts te verklaren, dat die oorzaak een natuurlijke is. In gevallen waarin onder de huidige wet niet de gewelddadige, doch b.v. de venerische aard van de doodsoorzaak een medicus noopt tot het afgeven van een onjuiste of enigszins spitsvondig ingeklede verklaring, zal hij voortaan een regelmatige verklaring kunnen afgeven zonder met zijn beroepsgeheim ook maar enigszins in conflict te komen. De ondergetekenden nemen de voorstellen van de Commissie-van Erp Taalman Kip, die door de Commissie-Kan in haar ontwerp zijn ingepast, gaarne over. Zij zijn zich bewust, dat het begrip "natuurlijke doodsoorzaak" niet met volkomen scherpte te omschrijven is. Als niet-natuurlijk zal niet alleen worden beschouwd elk overlijden door opzet of door schuld van derden, doch ook zelfmoord, al mocht die het natuurlijke gevolg ener zielsziekte zijn, alsmede het sterven tengevolge van een ongeval of uiterlijk geweld, ook wanneer dit niet door menselijke schuld is veroorzaakt. De ondergetekenden menen, dat aldus het spraakgebruik is en dat dit aan de praktijk voldoende richtsnoer zal verschaffen voor het interpreteren van het begrip "natuurlijke doodsoorzaak". Het door de Commissie-van Erp Taalman Kip aanbevolen systeem van lijkschouwing houdt voorts in, dat in alle gevallen, waarin een verklaring van overlijden door de behandelende geneeskundige niet is afgegeven, hetzij wijl deze zich daarvan onthouden heeft, hetzij omdat er geen behandelende geneeskundige was, de doodschouw verricht wordt door een van gemeentewege tot lijkschouwer aangestelde arts, die bevoegd is om, wanneer hij overtuigd is van de natuurlijkheid der doodsoorzaak, de verklaring van overlijden alsnog af te geven. In het tegengestelde geval kan het lijk niet worden begraven of verbrand zonder toestemming der justitie. Deze kan uiteraard steeds, in het kader van een gerechtelijk onderzoek, een lijkschouwing, zo nodig lijkopening, doen verrichten door een meer gespecialiseerde, z.g. gerechtelijke, geneeskundige. Reeds volgens het thans geldende artikel 4 der begrafeniswet mag de ambtenaar van de burgerlijke stand, zolang hem geen verklaring van overlijden is overgelegd, geen verlof tot begraving verlenen."
Bron: Handelingen der Staten-Generaal. Bijlagen 1951-1952. Nummer 2410(3).
Taak gemeentelijk lijkschouwer
De primaire taak van de gemeentelijk lijkschouwer eindigt formeel met de afgifte van een verklaring van overlijden. Ook de zgn. artikel 10 verklaring , die overigens alleen maar zegt dat de gemeentelijk lijkschouwer niet overtuigd is van een 'natuurlijk' overlijden, is in engere zin wel degelijk ook een verklaring van overlijden.De wetgever heeft tot nu toe echter nog nooit een omschrijving van de aard of omvang van de lijkschouw gegeven. Dit wordt volledig overgelaten aan de beoordeling van de arts die de lijkschouwing verricht (volgens artikel 7 van de Wlb), en dus ook aan de gemeentelijk lijkschouwer of de forensisch (werkzame) arts zelf. De lijkschouw eindigt OF met de afgifte van een verklaring van overlijden (A-verklaring) OF met een artikel 10 verklaring ('niet overtuigd van natuurlijke oorzaak').
De forensisch arts is geen (buitengewoon) opsporingsambtenaar. De kennisgeving aan de Officier van Justitie en de waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand betekent niet expliciet dat de gemeentelijk lijkschouwer betrokken is of moet worden bij nader gerechtelijk onderzoek. De waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand betekent dat in afwachting van een 'verklaring van geen bezwaar' van de Officier van Justitie deze ambtenaar niet mag overgaan tot het afgeven van een 'verlof tot begraving of crematie'. Dit is duidelijk omschreven in artikel 12 van de Wet op de lijkbezorging.
Het verrichten van een lijkschouw door de gemeentelijk lijkschouwer is geen verstrekking onder de zorgverzekeringswet en kan niet ten laste worden gebracht van de ziektekostenverzekeraar.
Volgens artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging wordt tegelijk met de afgifte van de verklaring van overlijden, ook door de forensisch arts, opgave gedaan van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek. Dit is de zgn. B-verklaring. De taak van de gemeentelijk lijkschouwer is volgens de Wet op de lijkbezorging daarmee ten einde. De Wet op de lijkbezorging maakt geen onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering. De gemeentelijk lijkschouwer wordt in het Wetboek van Strafvordering niet genoemd. In het Wetboek van Strafrecht komt de gemeentelijk lijkschouwer slechts éénmaal ter sprake in artikel 293, tweede lid (melding euthanasie en hulp bij zelfdoding). Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet.
Op grond van de huidige Wet op de lijkbezorging komen de kosten voor de werkzaamheden van de gemeentelijk lijkschouwer vooralsnog primair ten laste van de gemeente c.q. Burgemeester en Wethouders. Helaas blijken een aantal forensisch (werkzame) artsen zich dit niet te realiseren en te denken dat de Officier van Justitie verantwoordelijk is voor de kosten.
Taakverschuivingen
In de laatste decennia is echter langzaam een verschuiving opgetreden waarbij het werk van de gemeentelijke lijkschouwer de opsporingstaken van politie en justitie in toenemende mate is gaan ondersteunen. Indien er sprake is van onzekerheid over een 'natuurlijk' overlijden - dit is de reden waarom de gemeentelijk lijkschouwer in actie komt - is het, in verband met het sporenonderzoek, wenselijk en noodzakelijk dat de lijkschouw in samenwerking met de daartoe bevoegde opsporingsinstantie (politie) plaatsvindt. Volgens artikel 12a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging dient de opgave van de doodsoorzaak, de zgn. B-verklaring, bij vrijgave van het stoffelijk overschot, te worden gedaan door een arts, aangewezen door de Officier van Justitie. Dit betekent dat in de praktijk de gemeentelijk lijkschouwer hiervoor verantwoordelijk is.Als iemand na een val op een latere datum overlijdt, is er mogelijk sprake van een niet-natuurlijke dood en moet de gemeentelijk lijkschouwer worden ingeschakeld. Ook als de patiënt toch al niet lang meer te leven had. Niet iedereen vindt dat vanzelfsprekend en er blijken hierover nogal eens misverstanden en onbegrip te bestaan, zowel bij artsen als bij nabestaanden: In het kader van de Wet toetsing levensbeëindiging heeft de gemeentelijk lijkschouwer ook een taak gekregen in de verslaglegging bij euthanasiemeldingen ten behoeve van het Openbaar Ministerie.
Zoals wettelijk vastgelegd moeten de kosten hiervan worden gedragen door het Openbaar Ministerie. Het betreft immers een niet-natuurlijk overlijden. Nabestaanden mogen en kunnen niet worden geconfronteerd met 'facturen' die hiervoor worden verstuurd. Het tarief hiervoor is vastgelegd in het:
- Besluit tarieven in strafzaken 2003
(zie artikel 2 en artikel 7) - 13 mei 2003: Lijkschouwing na euthanasie (MC)
Standpunt VNG
In een brief van 24 mei 2006 aan de Minister van Binnenlandse Zaken ging de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in op de taakverschuivingen van de gemeentelijk lijkschouwer:(accentuering en opmerking toegevoegd door de FOMAT)
"Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor het benoemen van een gemeentelijke lijkschouwer. De gemeentelijke lijkschouwer schouwt een lijk indien de behandelend arts niet overtuigd is van een natuurlijke dood of er geen arts aanwezig is. Indien de lijkschouwer concludeert dat er sprake is van een natuurlijke dood wordt een overlijdensverklaring afgegeven. Indien hij hiervan niet overtuigd is, legt hij de zaak voor aan de Officier van Justitie. De lijkschouwer heeft in dit geval in feite een tweeledige taak doordat hij enerzijds aan de officier van justitie rapporteert en anderzijds contact heeft met de ambtenaar van de burgerlijke stand. Wij stellen vast dat die laatste activiteit alleen procedureel is en dient om kenbaar te maken dat voor betreffende overledene geen overlijdensverklaring (*),mag worden afgegeven. Bij de eerste activiteit wordt de lijkschouwer aangesproken op zijn inhoudelijke kwaliteit en forensische kennis. Deze bieden de officier van justitie mede de basis om te kunnen beslissen over opsporings- en vervolgonderzoek. De lijkschouw is in dit geval een pré-opsporingsactiviteit ten dienste van de officier van justitie. Ook de werkgroep forensische geneeskunde, een werkgroep onder voorzitterschap van het ministerie van Justitie, heeft deze conclusie getrokken (rapport 'Forensische Geneeskunde, een nieuwe praktijk')."
(*) Opm. FOMAT: bedoeld wordt hier kennelijk: Verlof tot lijkbezorging
"De benoemingsprocedure leidt ertoe dat er een relatie tussen het gemeentebestuur en de benoemde arts ontstaat. Die relatie houdt onder meer in dat ook de kosten van de lijkschouw als onderdeel van het opsporing- en vervolgonderzoek aan de gemeenten worden doorberekend. Wij hebben sterk de indruk dat deze kosten zijn gestegen en nog zullen stijgen mede als gevolg van de professionalisering van de beroepsgroep en de extra werkzaamheden die de lijkschouwer op verzoek van justitie en politie uitvoert. Aangezien de gemeentelijke lijkschouwer overwegend ten dienste staat van de Officier van Justitie geven wij in overweging om de kosten die ermee gepaard gaan niet meer bij gemeenten in rekening te brengen.
In dit verband vragen wij aandacht voor de circulaire 'afbakening tussen politie- en justitiekosten' die door het ministerie van Justitie in 2004 is uitgebracht. Uit deze circulaire blijkt, met uitzondering van kosten lijkschouw als gevolg van euthanasie, dat de kosten lijkschouw niet ten laste kunnen komen van justitie. Gelijktijdig wordt in deze circulaire geen antwoord geven op de vraag wie dan wel verantwoordelijk is voor de kosten van de lijkschouw: politie of gemeente. Sterker nog in de circulaire wordt aangegeven dat de kosten die in het kader van het opsporingsonderzoek worden gemaakt zoals transportkosten, kosten mortuarium en onderzoekskosten naar hun aard dienen te worden verdeeld tussen de politie en de gemeente. Dus de gemeente moet meebetalen aan opsporingskosten. Dit kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn geweest van het instellen van een gemeentelijke lijkschouwer waar handhaving van de openbare orde leidend is geweest. Deze circulaire roept daarom meer vragen op dan dat het antwoorden geeft. Wij stellen voor om met direct betrokken partijen een herziening van de circulaire ter hand te nemen."
Standpunt Wet op de lijkbezorging
Artikel 5 van de Wlb bepaalt dat sinds 1 januari 2010 uitsluitend artsen, die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, mogen worden benoemd als gemeentelijk lijkschouwer. Artikel 4 blijft echter onveranderd en bepaalt dat Burgemeester en wethouders één of meer gemeentelijke lijkschouwers benoemen.In de Memorie van Toelichting pag.6 bij het wetsontwerp ter wijziging van de Wet op de lijkbezorging staat t.a.v. de kosten voor de voorgestelde NODO-procedure het volgende:
(accentuering toegevoegd door de FOMAT)
"De kosten van het nader onderzoek worden vergoed door de rijksoverheid. Naar verwachting zal dit onderzoek niet meer dan 200 maal per jaar(*) plaatsvinden. In alle gevallen waarin de doodsoorzaak in voldoende mate vaststaat, dient uiteraard geen NODO plaats te vinden. De kosten bestaan uit de drie componenten:
- kosten kinderartsen en kinderpathologen;
- kosten informatieverzameling, overleg, landelijke registratie, jaarlijkse evaluatie
en registratiepunt lijkschouwer;
- kosten coördinerende rol van de lijkschouwer.
Afgezien van de regisseurrol van de gemeentelijke lijkschouwer nemen diens taken niet noemenswaardig toe door de introductie van de NODO-procedure. De systematiek van de wet blijft immers ongewijzigd: ook onder de huidige wet dient de behandelend arts in alle gevallen dat hij er niet van overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak, de gemeentelijke lijkschouwer te verwittigen. Het enige dat nu daarbij komt, is het overleg in de gevallen waarin de behandelend arts voornemens is een verklaring van overlijden af te geven (zie hiervoor de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel E). Het gaat gemiddeld om nog geen drie contacten per gemeente per jaar. Voor een financiële compensatie richting gemeenten is dan ook geen grond."
Het aantal van 200 gevallen van 'onverklaard overlijden' per jaar bleek in 2010 op een overschatting te berusten. Zie hierover: In een publicatie in Medisch Contact van 26 januari 2007 over de kwaliteit van de lijkschouw werd in relatie tot de wetswijziging van de Wet op de lijkbezorging opnieuw gewezen op het kostenaspect:
"De problematiek rond de lijkschouw, die onder meer is beschreven in een rapport van de inspectie en in rapporten van commissies ingesteld door het ministerie van Justitie, is al meer dan tien jaar bekend. Ook wordt telkens weer bepleit dat er iets aan het probleem moet worden gedaan."
"Vele malen is betoogd dat politie en justitie 'hun verantwoordelijkheid moeten nemen' ten aanzien van de lijkschouw. Zolang er geen eisen worden gesteld aan de lijkschouwer, is het nemen van verantwoordelijkheid onmogelijk. Bovendien krijgen politie en justitie in het huidige wetsvoorstel op geen enkele wijze verantwoordelijkheid; noch voor de benoeming van lijkschouwers, noch voor de betaling van de lijkschouw."
"De gemeenten worden impliciet verantwoordelijk gesteld voor de kwaliteit van de lijkschouw(er). De gemeentelijk lijkschouwer voert zijn werk echter primair uit ten behoeve van politie en justitie. Deze willen immers weten of er sprake is van een niet-natuurlijke dood en eventueel een strafbaar feit. In het wetsvoorstel moeten de gemeenten, nog steeds en onterecht, opdraaien voor deze opsporingstaak. Dat zij daar niet veel geld en energie in steken, laat zich raden."
Standpunt Justitie
De circulaire, daterend uit 2004, van het Ministerie van Justitie waarover in de bovenstaande brief van de VNG werd gesproken bleef op 19 december 2006 in een nieuwe versie voor 2007 e.v. vrijwel ongewijzigd, evenals opnieuw voor 2011 e.v. De circulaire werd op 1 januari 2012 vervallen verklaard. Deze ciculaire merkte het volgende op:(accentuering toegevoegd door de FOMAT)
"Het is gekunsteld om de schouw die leidt tot een verslag aan de OvJ als meer (pre)justitieel te beschouwen dan de schouw die leidt tot afgifte van een verklaring van overlijden. De schouw- activiteit is immers niet principieel verschillend en er is ook niet tijdens de schouw een moment te bepalen waarop het accent verschuift van "openbare orde" naar "opsporing". Dat betekent dat de uitslag van de schouw geen indicatie vormt voor de toerekening van de kosten. Het is aan de gemeenten om te bezien op welke wijze zij over deze taken en de betaling daarvan werkbare afspraken maken met betrokken lijkschouwers en de politie."
De bepaling in artikel 12a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging over de opgave van de doodsoorzaak, de zgn. B-verklaring, die bij vrijgave van het stoffelijk overschot dient te worden gedaan door een arts aangewezen door de Officier van Justitie, werd hierbij kennelijk buiten beschouwing gelaten.In een Reparatiewet van 13 december 2010 werd aangekondigd dat ook overtreding van artikel 12a, tweede lid, strafbaar wordt gesteld. Deze strafbaarstelling is op 1 maart 2011 in werking getreden. Dit betekent dat de Officier van Justitie bij vrijgave van het stoffelijk overschot na ontvangst van een art. 10 verklaring nu ook de wettelijke plicht heeft om een forensisch arts aan te wijzen die zorg draagt voor de invulling en verzending van de B-verklaring naar het CBS.
Dan verdient het echter ook aanbeveling om de forensisch arts eindelijk meer bevoegdheden, instrumenten en mogelijkheden te geven bij het postmortale onderzoek ter opheldering van de doodsoorzaak. Ook een 'verzuim' van de Officier van Justitie is nu strafbaar gesteld in de Wet op de lijkbezorging.
Volledigheidshalve hieronder de volledige tekst van de hierboven geciteerde:
- Circulaire: Afbakening tussen politie- en justitiekosten 2007 e.v. (pdf)
(Regeling werd ongewijzigd verlengd na 01 januari 2011) - 22 december 2010: Verlenging geldigheid circulaire per 1 januari 2011 e.v. (pdf)
(Publicatie in Staatscourant) -
1 januari 2012: Intrekking circulaire afbakening tussen politie- en Justitiekosten. (pdf)
(Publicatie in Staatscourant)
Toelichting is belangwekkend (!).
Het betekent ook dat het nog steeds aan de gemeenten (Burgemeester en Wethouders) is om te bezien op welke wijze zij over de taak en uitvoering van de lijkschouw en de betaling daarvan werkbare afspraken maken met betrokken lijkschouwers en de politie.
Volgens artikel 4 van de Wet op de lijkbezorging verschaffen Burgemeester en wethouders nu eenmaal gelegenheid tot het doen schouwen van lijken in de gemeente van overlijden en zijn dientengevolge ook verantwoordelijk voor de kosten die de lijkschouwer maakt. De korpsbeheerder van de Politie (en dat is de Burgemeester....) mag nu zelf gaan bepalen, in overleg met de (door de gemeente aangewezen) gemeentelijk lijkschouwer(s) en de Politie, uit welk budget dit wordt bekostigd.........
De discussie over de kosten van de lijkschouw(er) is niet nieuw en nog steeds actueel:
(onderstaande uitingen zijn géén standpunten of meningen van de FOMAT - vermelding geschiedt uitsluitend ter illustratie)
- 28 mei 2002: Kosten lijkschouw
- 6 mei 2010: Gooi- & Vechtstreek: Ontoereikende tarieven lijkschouw
- Gemeente wil niet betalen voor lijkschouwing