Achtergrond informatie
(deze zal de komende tijd worden uitgebreid met de ontwikkelingen die zich voordoen)

Thema: Kindermishandeling

Inhoud

  1. Inleiding
  2. Omvang van het fenomeen
  3. Meldcode
  4. Herkenning verbeterd
  5. Actieplan
  6. Onvoldoende medische diagnostiek?
    1. Obducties bij minderjarigen
    2. Geruzie over kosten en capaciteit
    3. Behoefteraming aan diagnostiek
    4. Onverklaard overlijden
  7. Rol strafrecht

Inleiding

Uitgebreide algemene informatie over het fenomeen kindermishandeling en het overlijden van minderjarigen is te vinden op de website van het Nederlands Jeugdinstituut: De volgende definitie is in 2002 vastgelegd in de Wet op de Jeugdhulpverlening en opgenomen in de Wet op de jeugdzorg die sinds 1 januari 2005 van kracht is:

Kindermishandeling is 'elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel'.

Vaak wordt de volgende onderverdeling in vijf vormen gebruikt. In de praktijk komen in een gezin waarin één of meer kinderen mishandeld worden, vaak meerdere vormen tegelijk voor.
  • Lichamelijke mishandeling
  • Lichamelijke verwaarlozing
  • Psychische mishandeling
  • Psychische verwaarlozing
  • Seksueel misbruik
  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Omvang van het fenomeen kindermishandeling

    Tot 2007 werd er altijd van uit gegaan dat het aantal gevallen van kindermishandeling in Nederland tussen de zestigduizend en tachtigduizend gevallen per jaar zou liggen. Uit twee onderzoeken die in april 2007 openbaar werden, kwam naar voren dat er minstens veertigduizend kinderen meer zouden worden mishandeld dan tot nu toe werd aangenomen. De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (NPM-2005) was de eerste studie naar de omvang en aard van mishandeling van kinderen en jeugdigen van 0 tot 17 jaar in Nederland. Het rapport, waarvan de jaarcijfers berusten op een extrapolatie van observaties gedurende een periode van drie maanden, werd opgesteld door de Leiden Universiteit. Een zekere mate van overschatting door dubbeltellingen en 'recall-bias' is bij de gekozen onderzoeksmethodiek niet geheel uit te sluiten. Een herhaling van dit onderzoek naar de prevalentie van kinder- en jeugdmishandeling dat in 2005 werd uitgevoerd, werd aangekondigd door TNO en de vakgroep Algemene en Gezinspedagogiek van de Universiteit van Leiden in opdracht van het (intussen weer opgeheven) programmaministerie voor Jeugd en Gezin. De resultaten zijn in de loop van 2011 bekend geworden. Conclusie: geen daling
    "De intensievere politieke en publieke aandacht voor kindermishandeling van de laatste jaren hebben professionals vermoedelijk alerter gemaakt op signalen van kindermishandeling, wat heeft geresulteerd in een toegenomen aantal meldingen. Toch kunnen we niet zonder meer spreken van een stijging in het feitelijke aantal slachtoffers van kindermishandeling. Dit aantal lijkt gelijk te zijn gebleven, zeker in de ogen van de scholieren. Ook de risicofactoren zijn ongeveer dezelfde gebleven, te weten zeer lage opleiding, werkloosheid, nieuw-allochtone herkomst, alleenstaand ouderschap, en een gezin met drie of meer kinderen.
    Het aantal slachtoffers van kindermishandeling is in ieder geval niet gedaald. Daarop wijzen de cijfers afkomstig van elk van de drie bronnen: de informanten, de AMK’s, en de scholieren. Meer beleidsmatige en preventieve aandacht voor kindermishandeling heeft wel geleid tot een toename in het aantal meldingen maar nog niet tot een merkbare daling in het feitelijke aantal slachtoffers. Wellicht is er meer tijd nodig om veranderd beleid te zien uitmonden in een vermindering van kindermishandeling en afname van emotionele verwaarlozing en geweld in het gezin. Daarnaast zijn structurele investeringen in een krachtiger aanpak wenselijk, door opvoedingsondersteuning voor ouders in het eerste jaar als voorbereiding op geweldloos ouderschap algemeen te maken."


    In navolgend rapport werden de resultaten gemeld van een landelijk onderzoek uit 2005 naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Het document is een co-productie van de Vrije Universiteit, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek te Amsterdam en PI Research in Duivendrecht.
  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Meldcode Kindermishandeling


    Eén van de problemen is dat er vaak onvoldoende uitwisseling is van gegevens over kinderen in nood om tot een doelmatige aanpak te komen. Hierbij noemen hulpverleners de privacywetgeving en geheimhoudingsplicht als belangrijke obstakels. Op 15 mei 2007 schreef het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) een brief naar de Minister van Jeugd en Gezin over het gebruik van het medisch beroepsgeheim en het conflict van plichten bij gevallen van kindermishandeling:
    In september 2008 presenteerde de KNMG de vernieuwde Meldcode Kindermishandeling. Met deze nieuwe Meldcode stimuleert de artsenorganisatie dat artsen zich actiever gaan inzetten in de strijd tegen kindermishandeling.
    Artsen hebben een belangrijke verantwoordelijkheid om kindermishandeling te signaleren en aan te pakken. De nieuwe Meldcode hanteert als uitgangspunt 'spreken, tenzij', tegenover het 'zwijgen, tenzij' van de oude Meldcode. Artsen hebben een zorgplicht voor kinderen die mogelijk schade door kindermishandeling kunnen oplopen. Van iedere arts wordt daarom verwacht dat hij spreekt voor het kind bij vermoedens van kindermishandeling.
    De nieuwe meldcode vraagt veel van (huis)artsen. Maar de meldcode biedt hen ook houvast en bescherming, ook al omdat het tuchtrecht de code als uitgangspunt hanteert. De code bevat verder een helder Stappenplan voor artsen hoe te handelen bij (vermoedens van) kindermishandeling. Het omzetten van een (nog steeds niet verplichte) meldcode in een meldplicht stuit op veel verzet. De resultaten van de meldingsplicht bij overlijden van minderjarigen over het jaar 2010 zijn nog niet bekend. Over de invoering van de NODO-procedure bestaat nog steeds onduidelijkheid. In de bovenvermelde brief van de KNMG van 31 januari 2011 werd hierover niet (meer) gesproken.

  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Herkenning van kindermishandeling verbeterd


    Afdelingen spoedeisende hulp (SEH) van ziekenhuizen onderkennen kindermishandeling nog niet altijd. Men beschouwt een gebroken arm nog te vaak als een ongelukje. Dit komt onder meer doordat op deze afdelingen de voorwaarden voor een verantwoorde signalering niet altijd aanwezig waren. De Inspectie voor de Gezondheidszorg signaleert verbeteringen.

    De spoedeisende hulp kan bij het herkennen van kindermishandeling een belangrijke rol spelen. Juist als kinderen met verwondingen op de spoedeisende hulp verschijnen is er een zogenaamde ‘gouden kans’ om achter de voordeur van een gezin te kijken omdat ouders zich meestal in een crisissituatie bevinden. De ‘gordijnen gaan dan even open’ om hulpverleners te laten zien wat er daadwerkelijk aan de hand is. Zonodig kunnen hulpverleners dan ingrijpen.

    In Nederland wordt naar schatting vijf tot tien procent van letsel bij kinderen die op de SEH verschijnen veroorzaakt door kindermishandeling. In de Amerikaanse literatuur wordt zelfs een cijfer van dertig procent genoemd.

    Toch ontbrak tot voor kort bij veel ziekenhuizen een gestructureerde aanpak om kindermishandeling op de SEH-afdeling te herkennen. Hoeveel aandacht er is voor dit onderwerp wordt vooral bepaald door de belangstelling van professionals (bijvoorbeeld kinderartsen) en de Raad van Bestuur voor dit onderwerp.

    De meeste ziekenhuizen beschikken nu over een protocol voor de signalering op de SEH-afdeling, en beleidsmatig krijgt het probleem meer aandacht, ook van de Raden van Bestuur. Medewerkers kunnen kindermishandeling alleen herkennen als zij hierin geschoold zijn. Zorgelijk is dat nog niet alle ziekenhuizen hiervoor een goed scholingsprogramma hebben. Tenslotte registreren nog steed enkele ziekenhuizen de gegevens over signalering en melding van kindermishandeling niet.

    De IGZ vindt dat de Raden van Bestuur het beleid rond de signalering van kindermishandeling met kracht ter hand moeten nemen. De IGZ wil dat alle ziekenhuizen een plan van aanpak maken op de punten waar te weinig aandacht voor is met betrekking tot het signaleren kindermishandeling. Begin 2009 moesten alle ziekenhuizen dit op orde hebben. De IGZ kan ziekenhuizen die in gebreke blijven onder verscherpt toezicht stellen.
  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Actieplan Ministerie Jeugd en Gezin

    Op 5 juli 2007 werd het Actieplan Aanpak Kindermishandeling naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit plan met de titel ‘Kinderen Veilig Thuis’ werd opgesteld naar aanleiding van de uitkomsten van de twee onderzoeken die eerder dat jaar verschenen (zie hierboven).

    Kindermishandeling dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Professionals en beroepskrachten moeten het zo snel mogelijk signaleren als het toch gebeurt. Er dient adequaat op te worden gereageerd zodat de mishandeling zo snel mogelijk stopt. De schadelijke gevolgen voor het kind moeten zoveel mogelijk worden beperkt.

    Hieronder het complete rapport c.q. actieplan uit 2007 en het vervolg van 28 november 2011: In het actieplan wordt gestreefd naar een landelijke implementatie van de zgn. RAAK-aanpak:

    Eind jaren negentig werd de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (RAAK) opgericht op initiatief van wijlen prof. dr. A. van Dantzig. Eén van de doelstellingen van RAAK was om in één of meer regio’s in Nederland de werkwijze van instellingen zo aan te passen, te verbeteren en aan te vullen dat kon worden gedemonstreerd dat een effectieve aanpak van kindermishandeling mogelijk is. Deze aanpak was dus gericht op het effectiever en efficiënter inzetten van de bestaande instellingen op basis van hun bestaande aanbod. Het ging daarbij om een aanpak over de hele breedte: van populatiegerichte (‘universele’) preventie en opvoedingsondersteuning tot en met curatieve interventies na geconstateerde kindermishandeling.
    Die manier van werken is doeltreffend gebleken. Uitvoerend werkers, managers en gemeentelijke en provinciale besturen bleken in deze regio’s in staat om gezamenlijk een gecoördineerde aanpak van kindermishandeling te realiseren, die bestaat uit een geïntegreerd aanbod van bewezen effectieve werkwijzen en methodieken, op de verschillende niveaus van zorg.

    De (voorziene) rol van het strafrecht kwam in bovenstaand 'actieplan' op pagina 17 en 18 ter sprake.

    Inzet van het strafrecht
    "Plegers van kindermishandeling zullen, zeker in de ernstigere gevallen, niet alleen door hulpverleners gewezen moeten worden op de onaanvaardbaarheid van kindermishandeling. Alhoewel de nadruk bij de bestrijding van kindermishandeling ligt op het voorkomen van kindermishandeling, is de aanpak van mishandeling bij uitstek ook een zaak voor het strafrecht.
    De inzet van het strafrecht bij de aanpak van kindermishandeling is gericht op het acuut stoppen van mishandeling, het voorkomen van recidive door gerichte interventies en het herstellen van de geschonden norm. Daarbij is het niet uitsluitend te doen om het bestraffen van de dader. Het belang van het kind is leidend. Vanuit die optiek kan het strafrecht worden ingezet om daders te leiden naar daderhulpverlening. Dat kan door het stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijk sepot of bij schorsing van de voorlopige hechtenis. Het strafrecht is dan een stok achter de deur. Inzet van het strafrecht is met name van toepassing wanneer de geestelijke en/of lichamelijke integriteit van het minderjarige slachtoffer ernstig wordt of is bedreigd, gelet op de aard van het letsel (in elk geval bij zwaar lichamelijk letsel) en/of de frequentie (stelselmatigheid) van het geweld.

    Strafrechtelijke vervolging is één van de mogelijke routes die kan worden bewandeld na een melding van ernstige mishandeling, zonodig in combinatie met inzet vanuit één van de andere routes: vrijwillige of gedwongen hulpverlening (voor kind en dader) of een kinderbeschermingsmaatregel. Zoals gezegd is het van groot belang dat een duidelijke en eenvoudige structuur de besluitvorming over de te ondernemen stappen ondersteunt en de uitvoering afstemt. In die structuur moeten, naast het Openbaar Ministerie (OM), onder meer ook de politie, de bureaus jeugdzorg/AMK’s en de Raad voor de Kinderbescherming een rol krijgen om op basis van een adequate informatiepositie een juiste afweging te maken over de inzet van het strafrecht.
    Om effectief strafrechtelijk optreden mogelijk te maken is het gewenst duidelijke kaders op te stellen voor de opsporing, vervolging, strafvordering, slachtofferbejegening en de lokale samenwerking.
    Het College van procureurs-generaal kan beleidsregels opstellen voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het OM. De kaders voor opsporing en vervolging en voor de lokale samenwerking kunnen worden beschreven in een aanwijzing van het College van procureurs-generaal. In overleg met het College wordt bezien of een aparte aanwijzing kindermishandeling nodig is of dat uitbreiding van de reeds bestaande aanwijzing huiselijk geweld volstaat.

    Bij de nadere uitwerking en vormgeving van dit Actieplan zal ook de vraag worden betrokken die tijdens het spoeddebat van 26 april 2007 werd gesteld, namelijk die naar de mogelijkheden om meer inzicht en overzicht te verkrijgen van de aantallen aangiften, vervolgingen en veroordelingen."


    Actie: Inzet strafrecht
    "Om in individuele kindermishandelingszaken een gestructureerd besluit te kunnen nemen over de inzet van het strafrecht zal aan het College van Procureurs-Generaal worden gevraagd om hiertoe kaders op te stellen en die vast te leggen in een aanwijzing."

    Twee jaar later kwam het College van Procureurs-Generaal op 1 augustus 2009 met de toegezegde: Op pagina 19 van het actieplan van 5 juli 2007 was ook de NODO-procedure (kort) ter aprake gekomen:

    NODO
    "In opdracht van de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Justitie en Binnenlandse Zaken, werd in 2005 een commissie NODO (Nader Onderzoek Doodsoorzaken bij minderjarigen) ingesteld. Deze commissie heeft een protocol opgesteld ten behoeve van het omgaan met vermoede gevallen van niet-natuurlijk overlijden van minderjarigen. In wetsvoorstel 30696 (Wijziging van de Wet op de lijkbezorging) is de NODO-procedure verankerd. Vooruitlopend op het van kracht worden van de wetswijziging bezien de betreffende ministeries op welke wijze de implementatie van de NODO-procedure kan worden gefaciliteerd."

    Tot slot werd bij actiepunt 28 op pagina 29 vermeld:

    "Er dient in één of meer proefregio’s geëxperimenteerd te worden met protocollen voor lijkschouwing bij overleden kinderen (tot 18 jaar)."

    Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    Overlijden minderjarigen (NODO)
    Op 9 juni 2009 werd door de Eerste Kamer wetgeving aangenomen over de wettelijke verplichting om bij overlijden van minderjarigen altijd de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen.

    Het is de vraag of de wetgeving over de NODO-procedure alsnog in de loop van 2011 van kracbt zal worden. De invoering van de NODO-procedure lijkt meer het gevolg te zijn geweest van een volkomen overdreven politieke reactie op een epidemiologische dwaling. Het spreekt vanzelf dat de FOMAT de ontwikkelingen nauwgezet volgt:

  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Onvoldoende medische diagnostiek?

    De afgelopen jaren is er terecht steeds meer aandacht voor kindermishandeling in Nederland. Alles staat op scherp om kindermishandeling te voorkomen of te stoppen. Iedereen kan er (anoniem) melding van doen. Maar een vermoeden van kindermishandeling kan eenmaal in handen van de instanties uitgroeien tot een onuitwisbaar brandmerk of een zichzelf repeterende waarheid. De gevolgen van verkeerde diagnostiek zijn groot, daders gaan vrijuit en anderen worden onterecht beschuldigd van kindermishandeling.

    Op 21 augustus 2009 antwoordde de Minister van Justitie, in reactie op kamervragen, n.a.v. een bericht dat politie en justitie bij kindermishandeling te weinig een beroep zouden doen op de pediatrisch forensisch arts van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). In een uitzending van de rubriek Argos op 6 maart 2010 over hoe jeugdzorg en justitie regelmatig grote fouten maken bij onderzoek naar geruchten over kindermishandeling werd geponeerd dat 100 keer per jaar aanvullende diagnostiek wordt gevraagd bij het NFI waarvan in 50 gevallen de diagnose kindermishandeling kan worden bevestigd. In een verontrustend hoog percentage van de meldingen bij het AMK blijkt geen enkel eerder medisch onderzoek naar de bevindingen te zijn verricht. De Minister voor Jeugd en Gezin reageerde in de radio-uitzending en merkte op dat de behandeling van kindermishandeling een zaak is voor de beroepsgroepen in het kader van de RAAK aanpak.
    Vervolgens werden hierover Kamervragen gesteld.
  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • Obducties bij minderjarigen

    Op 8 april 2010 publiceerde het NFI de cijfers over het aantal obducties dat werd verricht bij minderjarigen in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 2009, oftewel gedurende een tijdsverloop van 14 jaar. Op 18 november 2010 werden precies dezelfde cijfers opnieuw gepubliceerd, nu in het NTvG: Forensisch postmortaal onderzoek wordt in Nederland uitsluitend uitgevoerd door het NFI. De sectie (obductie) door een forensisch kinderpatholoog is een essentieel onderdeel van dit onderzoek. Het onderzoek bij het NFI betreft alleen obducties bij een geselecteerde groep overlijdensgevallen waarbij de niet-natuurlijke dood soms al van te voren vaststaat. De gerechtelijke sectie is in het strafvorderlijk proces noodzakelijk voor het vaststellen van de 'causaliteit', d.w.z. ter beantwoording van de vraag of het overlijden een direct en onomstotelijk gevolg is van een externe factor c.q. een mogelijk strafbaar feit.
    Het NFI verricht, in opdracht van het OM in het kader van de bewijsvoering, jaarlijks zo’n vijftig keer sectie op kinderen. Onderzoek met een overzicht van 1996 t/m 2009 (veertien jaar) liet zien dat in ruim 60%, d.w.z. in gemiddeld 30 gevallen per jaar, sprake was van een niet-natuurlijk overlijden. Dit cijfer komt (logisch) overeen met het aantal (25-35) gevallen zoals dat werd gemeld bij het CBS (dat deze cijfers overneemt) en wordt sinds 1996 volgens de internationale criteria gecodeerd in de categorie 'Overige niet-natuurlijke dood (NND)'.
  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Geruzie over kosten en capaciteit

    Op 13 april 2010 werd door het het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gemeld dat al sinds september 2009 geen nieuwe kindermishandelingszaken meer voor onderzoek zouden worden aangenomen. Er zouden niet genoeg forensische experts zijn. Door de innamestop zouden ernstige zaken niet meer behandeld worden.
    Verdachten zouden daardoor soms langer in voorarrest blijven. Ook zou het voorkomen dat uit huis geplaatste kinderen weer terug werden gestuurd omdat het NFI nog geen rapportage zou hebben kunnen maken.
    Het NFI zou per jaar 25 ernstige zaken van kindermishandeling aannemen, net zoveel als een polikliniek in Utrecht. Jaarlijks zouden er echter, volgens het rapport uit maart 2010 van het NFI zelf, 500 zaken moeten zijn waarbij medisch-forensisch onderzoek nodig is. In een brief van Minister van Justitie van 16 augustus 2010 werd gemeld dat de ingestelde opnamestop bij het NFI per 1 juli 2010 weer was opgeheven en dat geconcludeerd kon worden dat, gelet op de verschillende mogelijkheden die zowel binnen als buiten het NFI bestaan, voor OM en politie op het gebied van forensische pediatrie, het aanbod gewaarborgd was voor het kunnen afdoen van zaken. Eind 2011 zal kunnen worden bezien of de inzet van expertise van zowel het NFI als van andere aanbieders voldoende is voor de behoefteraming van OM en politie. Opmerkingen van de FOMAT:
    Na de bovenstaande brief van de Minister van 16 augustus 2010 was het volledig onduidelijk waar alle ophef van het NFI en de berichtgeving via de media voor nodig was of was geweest. Men kan natuurlijk ook aan de bakker vragen of men zijn brood moet eten.....
    Er lijkt nu een levendige 'concurrentie' te ontstaan tussen allerlei 'centra voor diagnostiek'. De monopoliepostitie van het NFI (dat wordt betaald door Justitie) komt meer en meer ter discussie. De vraag is of de 'objectiviteit' wel gebaat is bij dit soort marktwerking tussen de verschillende instituten die zich als deskundigheidscentra opwerpen. De FOMAT volgt de ontwikkelingen en we zullen hier, waar nodig, nader op ingaan.

    Het gevaar van 'tunnelvisie' en het ontstaan van een soort 'heksenjacht' ligt nu levensgroot op de loer. De publicatie van enkele medewerkers van het NFI uit december 2010 in het NTvG leek hier zelfs aan bij te dragen met niet onderbouwde opmerkingen over 'onderrapportage'. Het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid van 13 januari 2011 met het uitvergroten van fataal aflopende gevallen, die merendeels bij het NFI werden onderzocht, deed hier nog een schepje bovenop en sprak in het rapport op pag.98 zelfs van een 'dark figure'. Bij de regeling van werkzaamheden in de Tweede Kamer op 19 april 2011 werd door verschillende leden van de Kamer om een debat gevraagd over de ontwikkelingen. Men wilde op korte termijn opheldering over het (nota bene) door het NFI zelf geproduceerde zgn. 'onderzoeksrapport' uit maart 2010 en de ramingen van de behoeften aan expertise.
    Wegens de zeer hoge kosten, die het (gesubsidieerde) NFI bij de aanvrager in rekening brengt, wordt het onderzoek door de Politie (wegens de kosten?) maar mondjesmaat ingezet. Deze kosten worden, en dat is een wijdverbreid misverstand, niet door het Ministerie van VenJ of het OM betaald, maar door de lokale korpsbeheerder. Als het onderzoek de 'vermeende' dader vrijpleit, of het bewijs niet kan worden gevonden, is het onderzoek 'voor niets' gedaan, maar moet wel betaald worden.
    De uurtarieven voor dit onderzoek, van het NFI of andere organisaties, werden niet bekend gemaakt. Ook kwam in dit debat, dat op 18 mei 2011 plaatsvond, de voortgang van de NODO-procedure zijdelings aan de orde. Helaas bleek de essentie van de zaak (de hoge kosten die de Politie moet betalen) niet geheel tot de Kamerleden te zijn doorgedrongen. Ook de staatssecretaris trok 'de juistheid' van de cijfers van het NFI in twijfel. Hardnekkig werd echter aangedrongen op een verhoging van de capaciteit van de diverse onderzoeksinstituten. Eind 2011 zouden de resultaten van een nieuwe (onafhankelijke) behoefteraming bekend worden, aldus de staatssecretaris.

  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Behoefteraming aan diagnostiek

    Op 17 januari 2012 werd een brief over de behoefteraming van (medische) diagnostiek bij verdenkingen van kindermishandeling naar de Tweede Kamer gestuurd: Bij de afgifte van letselrapportages dienen de (medische) waarnemingen en omschrijvingen uitsluitend ter documentatie van objectief vastgestelde en vast te stellen bevindingen en zonder dat hier een strafvorderlijk oordeel aan verbonden kan worden. Dergelijke oordelen kunnen alleen door hiertoe bevoegde, benoemde en terzake kundige gerechtelijk deskundigen worden afgegeven. Interpretaties (of nog erger: speculaties) dienen bij letselrapportages achterwege te blijven (als niet behorend tot de vraagstelling).

    De eerste-lijns forensisch arts dient zich terdege bewust te zijn van zijn/haar beperkingen en houdt zich alleen bezig met medische aangegelegenheden en competenties in het kader van de waarheidsvinding en niet met juridische uitspraken op het gebied van de opsporing en vervolging. Op dit terrein is (net als bij de nog steeds niet ingevoerde NODO-procedure) centralisatie dringend aan te bevelen. Er zijn nu eenmaal bepaalde verrichtingen die zo zelden voorkomen dat vrijwel niemand daar ervaren in kan raken. Dat is geen schande. Het is dan ook beter om dat gewoon te erkennen en de opdracht terug te geven en/of door te verwijzen naar een specialist die wel regelmatig dit soort vragen en opdrachten verstrekt krijgt en zich echt verdiept heeft in de materie. De forensisch (werkzame) arts is géén gerechtelijk deskundige en kan ook niet als zodanig worden aangemerkt.

    Veel forensisch (werkzame) artsen blijken zich ook niet te realiseren dat de kosten van dit onderzoek (vaak voorzien van een forse 'overhead' door de regionale gezondheidsdienst en de 19% BTW-heffing) ten laste komen van het regionale politiekorps (de korpsbeheerder) en niet ten laste van het Openbaar Ministerie. Het Ministerie van Justitie weigert al jaren om de kosten hiervan, als kosten van opsporing, voor haar rekening te nemen.
  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Onverklaard overlijden

    In discussies in politiek en media blijkt de term 'onverklaard overlijden' een eigen leven te zijn gaan leiden die de aanleiding vormde om over te gaan tot het instellen van de zgn. NODO-procedure. De beeldvorming dat het hierbij zou moeten gaan om de 'opsporing van kindermishandeling' is een zeer hardnekkig en kennelijk nauwelijks meer uit te roeien misverstand.

    Op 14 april 2010 kwam het Gerechtshof te Arnhem, rechtdoende in herziening in de zaak Lucia de B., tot het volgende oordeel over het 'onverklaard overlijden':
    (accentueringen toegevoegd door de FOMAT)

    .................................................

    2.2.1 Vraagstelling advocaat-generaal naar kwalificatie doodsoorzaak
    De advocaat-generaal heeft bij de Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVvP) en bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde de vraag uitgezet (kort geformuleerd) of het wetenschappelijk verantwoord is om in de situatie van een onverwacht en onverklaarbaar overlijden menselijk handelen als oorzaak daarvan aan te nemen zonder dat (onder meer) obductie heeft plaatsgevonden.
    De NVvP heeft de antwoorden toegezonden van dr. P.G.J. Nikkels(27), dr.dr. R.W.M. Giard(28), dr. A. Maes(29) en dr. J.C. van der Linden(30). Alle respondenten beantwoorden de vraag ontkennend.

    ...................................................

    3.1 Algemene uitgangspunten

    3.1.1 Oorzaak van overlijden
    Bij een aantal van de door het hof Den Haag bewezenverklaarde feiten stelt dat hof voorop, dat sprake is van "medisch onverklaarbaar overlijden". Zonder die vaststelling zou het hof Den Haag niet tot een bewezenverklaring zijn gekomen(32).

    Het hof acht deze terminologie om een aantal redenen minder gelukkig en prefereert de term "(medisch) onverklaard." In de eerste plaats is wat medisch verklaarbaar is afhankelijk van de stand van de medische wetenschap en daarmee allerminst een vast gegeven. In de tweede plaats is hetgeen medisch verklaard kan worden sterk afhankelijk van de diepgang van het onderzoek naar een overlijdensgeval. In de derde plaats wekt de term "medisch onverklaarbaar" gemakkelijk de suggestie dat er dus(33) een externe oorzaak van het overlijden moet zijn. Naar het oordeel van het hof is dat niet juist omdat die conclusie, mede gelet op de twee al genoemde bezwaren, geenszins dwingend is.

    In het kader van het tweede door het hof genoemde bezwaar moet gewezen worden op het grote belang van een obductie in het geval van een op het eerste gezicht onverwacht en onverklaard overlijden. Uit door dr. Nikkels genoemd onderzoek komt naar voren dat bij obductie in gemiddeld 23,5% van de gevallen belangrijke (voor behandeling relevante) onverwachte bevindingen worden gedaan. In diverse studies betreffende doodsoorzaken bij kinderen werd in 26-34% van de gevallen waarbij obductie werd gedaan een nieuwe diagnose gesteld, waarbij in 7% van de gevallen, indien de diagnose bekend zou zijn geweest vóór het overlijden, een ander beleid zou zijn gevoerd met mogelijk overleving(34).

    Bij de zeven overlijdensgevallen, die in de tenlastelegging aan strafbaar handelen door verdachte worden toegeschreven, is slechts in twee daarvan (....)kort na het overlijden sectie verricht. Op (....) is pas ruim 17 maanden na overlijden sectie verricht en op (....) pas ruim 12 maanden na overlijden. In beide gevallen gebeurde dat na opgraving. Bij (....) luidde de conclusie dat het op grond van de sectie niet mogelijk was een uitspraak te doen over de doodsoorzaak. Bij (....) kon op grond van de sectiebevindingen geen doodsoorzaak worden vastgesteld.

    Zoals het hof onder 2.2.1 reeds heeft weergegeven, zijn alle geraadpleegde deskundigen het er over eens dat het wetenschappelijk niet verantwoord is om in de situatie van een onverwacht en "onverklaarbaar" overlijden menselijk handelen als oorzaak daarvan aan te nemen zonder dat (onder meer) obductie heeft plaatsgevonden. Slechts na obductie kan verantwoord worden gesproken van medisch onverklaard overlijden.

    Maar dat neemt niet weg dat het op zich denkbaar is dat - ook bij ontbreken van een obductie - de resultaten van het opsporingsonderzoek zodanig zijn, dat geconcludeerd kan worden tot strafbaar handelen of nalaten als oorzaak van een overlijdensgeval. Naar het oordeel van het hof is in zodanig geval, waarin medische evidentie ontbreekt, een extra kritische beoordeling van de wel beschikbare onderzoeksresultaten geboden.

    (Bron: Parketnummer: 21-004292-08)


  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Rol van het strafrecht bij kindermishandeling

    De algemene commissie voor Jeugd en Gezin en de vaste commissie voor Justitie voerde op 18 oktober 2007 overleg met de minister voor Jeugd en Gezin en de minister van Justitie inzake het actieplan aanpak kindermishandeling.

    De rol van strafrecht werd als volgt verwoord:
    (accentureringen toegevoegd door de FOMAT)

      "De minister van Justitie wijst erop dat kindermishandeling een ernstig misdrijf is. Het strafrecht is een pijler bij de aanpak van kindermishandeling. Er wordt momenteel overlegd met het OM en andere organisatieonderdelen om te bezien op welke manier het strafrecht kan aanhaken bij de RAAK-aanpak.

      De aanpak van kindermishandeling hoeft echter niet altijd in de sfeer van het strafrecht te worden getrokken. Dat heeft te maken met de systematiek van het strafrecht zelf, omdat het rond krijgen van de bewijslast vaak lastig is, maar ook omdat een louter strafrechtelijke aanpak als bezwaar heeft dat het opnemen van getuigenverklaringen een negatief effect kan hebben op degene die bescherming wordt geboden. Ook kunnen daardoor de verhoudingen in het gezin extra worden beschadigd.

      In het actieplan wordt het strafrecht daarom gezien als stok achter de deur, als sluitstuk en als steun in de rug wat betreft het preventiebeleid en het reageren op allerlei situaties. De inzet van het strafrecht is erop gericht om in het belang van het kind te komen tot een situatie die zo snel mogelijk een eind maakt aan het voortduren van de mishandeling. In dit kader kunnen specifieke maatregelen en dwangmiddelen worden ingezet, gericht op het voorkomen van recidive. Dat geldt ook voor genitale verminking als een vorm van ernstige mishandeling.

      Welke aanpak in individuele gevallen wordt gekozen, vergt een zorgvuldig en gestructureerd proces van besluitvorming, rekening houdend met de mogelijk traumatiserende effecten op het kind van een strafrechtelijke aanpak, zeker in situaties waarin die uiteindelijk niet slaagt. Mislukte straf- vervolging is dan vaak erger dan geen strafvervolging. Ook dat vereist dus precisie in de inzet van de strafrechtelijke middelen. Politie en OM moeten in een vroeg stadium worden betrokken bij de diverse afwegingen om gestructureerd te kunnen beslissen. In overleg met het Parket-Generaal en andere organisaties wordt bezien of een dergelijke werkwijze door middel van een aanwijzing van het College van Procureurs-generaal kan worden vastgelegd. Vervolgens kan hopelijk worden aangehaakt bij de RAAK-aanpak. Omdat kindermishandeling ook in de categorie huiselijk geweld valt, wordt ook bekeken of elementen van de RAAK-aanpak een rol kunnen spelen bij de aanpak van dat geweld."
    Bron: Kamerstuk 31.015 nr. 25


    Terug naar begin van deze pagina