Bron: wetten.nl
Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij
zelfdoding
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen
weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
in het Wetboek van Strafrecht een strafuitsluitingsgrond op te nemen voor de
arts die met inachtneming van wettelijk vast te leggen zorgvuldigheidseisen
levensbeëindiging op verzoek toepast of hulp bij zelfdoding verleent, en
daartoe bij wet een meldings- en toetsingsprocedure vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze
Ministers: de Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. hulp
bij zelfdoding: het opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn of hem
de middelen daartoe verschaffen als bedoeld in artikel 294, tweede lid, tweede
volzin, Wetboek van Strafrecht;
c. de
arts: de arts die volgens de melding levensbeëindiging op verzoek heeft
toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend;
d. de
consulent: de arts die is geraadpleegd over het voornemen van een arts om
levensbeëindiging op verzoek toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen;
e. de
hulpverleners: hulpverleners als bedoeld in artikel 446, eerste lid, van boek 7
van het Burgerlijk Wetboek;
f.
de commissie: een regionale toetsingscommissie als
bedoeld in artikel 3;
g. regionaal
inspecteur: regionaal inspecteur van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van
het Staatstoezicht op de Volksgezondheid;
Hoofdstuk II. Zorgvuldigheidseisen
Artikel 2
1. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 293, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, houden in dat de arts:
- de
overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en
weloverwogen verzoek van de patiënt,
- de
overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en
ondraaglijk lijden van de patiënt,
- de
patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over
diens vooruitzichten,
- met
de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin
deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was,
- ten
minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt
heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de
zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en
- de
levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft
uitgevoerd.
2. Indien
de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te
uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van
zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke verklaring,
inhoudende een verzoek om levensbeëindiging, heeft afgelegd, dan kan de arts
aan dit verzoek gevolg geven. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in het eerste
lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Indien
de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de zestien en achttien jaren
en tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden
geacht, kan de arts aan een verzoek van de patiënt om levensbeëindiging of hulp
bij zelfdoding gevolg geven, nadat de ouder of de ouders die het gezag over hem
uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd bij de besluitvorming zijn
betrokken.
4. Indien de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de twaalf en zestien jaren en tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden geacht, kan de arts, indien een ouder of de ouders die het gezag over hem uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd zich met de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding kan of kunnen verenigen, aan het verzoek van de patiënt gevolg geven. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Regionale toetsingscommissies voor
levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding
Paragraaf 1:
Instelling, samenstelling en benoeming
Artikel 3
1. Er
zijn regionale commissies voor de toetsing van meldingen van gevallen van
levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 293,
tweede lid, onderscheidelijk 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek
van Strafrecht.
2. Een
commissie bestaat uit een oneven aantal leden, waaronder in elk geval één
rechtsgeleerd lid, tevens voorzitter, één arts en één deskundige inzake
ethische of zingevingsvraagstukken. Van een commissie maken mede deel uit
plaatsvervangende leden van elk van de in de eerste volzin genoemde
categorieën.
Artikel 4
1. De
voorzitter en de leden, alsmede de plaatsvervangende leden worden door Onze
Ministers benoemd voor de tijd van zes jaar. Herbenoeming kan eenmaal
plaatsvinden voor de tijd van zes jaar.
2. Een
commissie heeft een secretaris en één of meer plaatsvervangend secretarissen,
allen rechtsgeleerden, die door Onze Ministers worden benoemd. De secretaris
heeft in de vergaderingen van de commissie een raadgevende stem.
3. De
secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend
verantwoording schuldig aan de commissie.
Paragraaf 2: Ontslag
Artikel 5
De voorzitter en de leden, alsmede de plaatsvervangende
leden kunnen te allen tijde op hun eigen verzoek worden ontslagen door Onze
Ministers.
Artikel 6
De voorzitter en de leden, alsmede de plaatsvervangende
leden kunnen door Onze Ministers worden ontslagen wegens ongeschiktheid of
onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
Paragraaf 3:
Bezoldiging
Artikel 7
De voorzitter en de leden alsmede de plaatsvervangende leden
ontvangen vacatiegeld alsmede een vergoeding voor de reis- en verblijfkosten
volgens de bestaande rijksregelen, voor zover niet uit anderen hoofde een
vergoeding voor deze kosten wordt verleend uit 's Rijks kas.
Paragraaf 4: Taken en
bevoegdheden
Artikel 8
1. De
commissie beoordeelt op basis van het verslag bedoeld in artikel 7, tweede lid,
van de Wet op de lijkbezorging, of de arts die levensbeëindiging op verzoek
heeft toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend, heeft gehandeld
overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2.
2. De
commissie kan de arts verzoeken zijn verslag schriftelijk of mondeling aan te
vullen, indien dit voor een goede beoordeling van het handelen van de arts
noodzakelijk is.
3. De
commissie kan bij de gemeentelijke lijkschouwer, de consulent of de betrokken
hulpverleners inlichtingen inwinnen, indien dit voor een goede beoordeling van
het handelen van de arts noodzakelijk is.
Artikel 9
1. De
commissie brengt haar gemotiveerde oordeel binnen zes weken na ontvangst van
het verslag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, schriftelijk ter kennis van
de arts.
2. De
commissie brengt haar oordeel ter kennis van het College van
procureurs-generaal en de regionaal inspecteur voor de gezondheidszorg:
- indien de arts naar het oordeel van de commissie niet heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2; of
- indien de situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 12, laatste volzin van de Wet op de lijkbezorging.
De commissie stelt de arts hiervan in kennis.
3. De
in het eerste lid genoemde termijn kan eenmaal voor ten hoogste zes weken
worden verlengd. De commissie stelt de arts hiervan in kennis.
4. De
commissie is bevoegd het door haar gegeven oordeel mondeling tegenover de arts
nader toe te lichten. Deze mondelinge toelichting kan plaatsvinden op verzoek
van de commissie of op verzoek van de arts.
Artikel 10
De commissie is verplicht aan de officier van justitie
desgevraagd alle inlichtingen te verstrekken, welke hij nodig heeft:
1º. ten
behoeve van de beoordeling van het handelen van de arts in het geval als
bedoeld in artikel 9, tweede lid; of
2º. ten behoeve van een opsporingsonderzoek.
Van het verstrekken van inlichtingen aan de officier van
justitie doet de commissie mededeling aan de arts.
Paragraaf 6:
Werkwijze
Artikel 11
De commissie draagt zorg voor registratie van de ter
beoordeling gemelde gevallen van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij
zelfdoding. Bij ministeriële regeling van Onze Ministers kunnen daaromtrent
nadere regels worden gesteld.
Artikel 12
1. Een oordeel wordt vastgesteld bij gewone meerderheid van stemmen.
2. Een oordeel kan slechts door de commissie worden vastgesteld indien alle leden van de commissie aan de stemming hebben deelgenomen.
Artikel 13
De voorzitters van de regionale toetsingscommissies voeren
ten minste twee maal per jaar overleg met elkaar over werkwijze en functioneren
van de commissies. Bij het overleg worden uitgenodigd een vertegenwoordiger van
het College van procureurs-generaal en een vertegenwoordiger van de Inspectie voor
de Gezondheidszorg van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid.
Paragraaf 7:
Geheimhouding en Verschoning
Artikel 14
De leden en plaatsvervangend leden van de commissie zijn
verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de taakuitvoering
de beschikking krijgen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot
mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
Artikel 15
Een lid van de commissie, dat voor de behandeling van een
zaak zitting heeft in de commissie, verschoont zich en kan worden gewraakt
indien er feiten of omstandigheden bestaan waardoor de onpartijdigheid van zijn
oordeel schade zou kunnen lijden.
Artikel 16
Een lid, een plaatsvervangend lid en de secretaris van de
commissie onthouden zich van het geven van een oordeel over het voornemen van
een arts om levensbeëindiging op verzoek toe te passen of hulp bij zelfdoding
te verlenen.
Paragraaf 8:
Rapportage
Artikel 17
1.
De commissies brengen jaarlijks vóór 1 april aan Onze
Ministers een gezamenlijk verslag van werkzaamheden uit over het afgelopen
kalenderjaar. Onze Ministers stellen hiervoor bij ministeriële regeling een
model vast.
2. Het in het eerste lid bedoelde verslag van werkzaamheden vermeldt in ieder geval:
- het aantal gemelde gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding waarover de commissie een oordeel heeft uitgebracht;
- de aard van deze gevallen;
- de oordelen en de daarbij gemaakte afwegingen.
Artikel 18
Onze Ministers brengen jaarlijks ter gelegenheid van het
indienen van de begroting aan de Staten-Generaal verslag uit met betrekking tot
het functioneren van de commissies naar aanleiding van het in het artikel 17,
eerste lid, bedoelde verslag van werkzaamheden.
Artikel 19
1. Op voordracht van Onze Ministers worden bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de commissies regels gesteld betreffende
- hun aantal en relatieve bevoegdheid;
- hun vestigingsplaats.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen Onze Ministers met betrekking tot de commissies nadere regels stellen betreffende
- hun omvang en samenstelling;
- hun werkwijze en verslaglegging.
Hoofdstuk IV. Wijzigingen in andere wetten
Artikel 20
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.] .
Artikel 21
[Wijzigt de Wet op de lijkbezorging.]
Artikel 22
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
Hoofdstuk V.
Slotbepalingen
Artikel 23
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 24
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toetsing
levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven te 's-Gravenhage, 12 april 2001
Beatrix
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de zesentwintigste april 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals