Bronnen: o.a. wetten.nl en justitie.nl

Forensisch bloedonderzoek

Overzicht:

  1. Bloedafname art. 8 WVW
    1. Algemeen
    2. Rchtlijn FMG
    3. Voor de forensisch arts
    4. Opmerking
  2. DNA-profiel bepaling
    1. Algemeen
    2. Rchtlijn FMG
    3. Twee opmerkingen
    4. Reactie Formedex
    5. Postmortale DNA afname
  3. Bloedtest in strafzaken
    1. Algemeen
    2. Transmissie-onderzoek
    3. Opmerking
  4. Sporenonderzoek
    1. Intoxicaties
    2. Speekseltesten
    3. Postmortaal aantonen intoxicatie
  5. Tot slot...

Bloedafname art. 8 WVW

Zowel bij artsen als ook bij medewerkers van ziekenhuizen (en ook bij politie-ambtenaren) blijken nogal eens misverstanden te bestaan over de 'bloedafname' die op verzoek van het Openbaar Ministerie (de Officier van Justie) kan worden verlangd bij de verdenking van bovenmatig alcoholgebruik (of het gebruik van andere middelen die de rijvaardigheid beďnvloeden) bij verkeersdeelnemers. Hieronder de relevante wetgeving die hierop betrekking heeft: ¥¥¥
Algemeen
Het is belangrijk om te bedenken dat het simpelweg aantonen dat iemand alcohol of andere middelen (die op indicatie en/of verzoek bij het NFI kunnen worden aangetoond) heeft gebruikt uitsluitend een strafvorderlijk doel kan dienen indien betrokkene wordt verdacht van een overtreding in de zin van art.8 WVW en niet voor andere doeleinden. Dit is helaas niet altijd duidelijk voor de ambtenaren van politie en het OM. Ook voor een aantal forensisch artsen, zo blijkt in de praktijk uit de met enige regelmaat weer opduikende verhandelingen over dit onderwerp, is dit niet altijd even duidelijk.

Elke afwijking van de voorgeschreven procedure, zoals die in bovengenoemde wet- en regelgeving is omschreven, kán - maar behoeft zeker niet en ook lang niet altijd - te leiden tot een afwijzing van het 'bewijsmiddel'. Dit is ter finale beoordeling aan de rechter. Op zich is de contstatering van 'afwijkend rijgedrag' van de bestuurder door een opsporingsambtenaar al voldoende. Bij ernstige vormfouten of een cumulatie van afwijkingen in de procedure zal de OvJ afwegen of tot een sepot moet worden besloten.

Artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt:
"Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien."

Om rechtsongelijkheid en 'willekeur' bij de strafvordering te voorkomen zijn een groot aantal waarborgen, waaraan de opsporingsambtenaar zich dient te houden, in de wetgeving voorgeschreven (toestemming van betrokkene, verplichte wachttijd van een uur na de vordering tot medewerking, gebruik van voorgeschreven materiaal, aanwezigheid van opsporingsambtenaar bij de bloedafname, correctie-aftrek van driemaal de theoretische standaardafwijking van de vastgestelde bloedspiegel, etc.). Alle factoren die leiden tot een verlaging van het uiteindelijk vastgestelde bloed-alcohol gehalte of van de aantoonbaarheid van andere middelen in het afgenomen bloedmonster (tijdsverloop, bloedverlies, toediening van infusen, medicatie, bloedtransfusies, etc.) vallen in principe altijd uit in het voordeel van de verdachte. Als bij het NFI per post een buisje met 'rood gekleurde vloeistof' bestempeld als 'bloedmonster' (al of niet verdund met of dóór infuusvloeistof) wordt aangeleverd in de voorgeschreven verpakking is dát 'bloed' het bewijsmiddel en zal dááruit de bloed-alcohol-concentratie en/of de aanwezigheid van andere middelen worden bepaald. Die bepaling geldt, met toepassing van de correctie-factor, als enig bruikbare wettig bewijs voor het OM. Hetzelfde geldt voor een urine-monster. Discussies over de juistheid van de bepalingen bij het NFI, waarvoor de mogelijkheid van contra-expertise is ingeruimd, de toepasbaarheid van de wetgeving, of de door de wetgever aangelegde criteria, behoren tot het domein van de advocatuur en de politiek. Intussen is een uitgebreide en indrukwekkende jurisprudentie ontstaan. Wanneer er andere stoffen dan alcohol in het geding zijn, zoals medicijn en/of drugsgebruik, is van belang dat bij het gebruik van psychotrope stoffen tot een bewezen- en strafbaarverklaring kan worden gekomen óók als de bestuurder niet daadwerkelijk op gevaarlijke wijze heeft gereden. Zie hierover de uitspraken in HR 1-6-2004, VR 2005,43 en HR 21-12-2004, VR 2005,44.
(Bron: OM Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed)

Een 'verplichte bloedafname' is alleen mogelijk bij personen die worden verdacht van een overtreding van art. 8 WVW, d.w.z. alleen bij bestuurders (in de zin van de wet) en niet bij andere personen die niet als bestuurder kunnen worden aangemerkt. Een inzittende van een taxi of een voetganger is geen bestuurder en kan niet zo maar 'onderworpen' worden aan een bloedafname. Art. 8 WVW is niet bedoeld, en kan ook niet als zodanig gebruikt worden, voor het aantonen van openbare dronkenschap of het gebruik van (genees)middelen (zie hieronder).

Artikel 8 WVW is niet een soort 'vrijbrief' voor de uitvoerende macht om naar believen en willekeur en zonder enige beperking over te gaan tot het uitvoeren van blaastesten en bloedproeven. De wet vraagt in feite van burgers om mee te werken aan de 'eigen veroordeling'. De wet beoogt een redelijk doel nl. het bevorderen van de verkeersveiligheid en de inbreuk op een belangrijk rechtsprincipe is daarom door de wetgevende macht als proportioneel en aanvaardbaar beoordeeld.
Bij een alcohol controle zal de ambtenaar de bestuurder, volkomen correct en terecht, eerst vriendelijk verzoeken (en niet bevelen) om medewerking te verlenen aan het uitvoeren van een 'blaastest'. Pas als iemand dat weigert of niet kan blazen volgt de volgende stap in de systematiek van art.8 WVW die veronderstelt, en zo is het ook in de wet omschreven, dat er dan een redelijke verdenking moet bestaan. Niet alleen burgers maar ook wetshandhavers, en forensisch artsen (!), dienen zich aan de wet te houden. De wet dient per slot van rekening ook voor de bescherming van de rechten van burgers.

Postmortale afname van bloed- en/of urine kan niet gerechtvaardigd worden op grond van art. 8 WVW. Een overledene kan geen verdachte meer zijn. Indien een bewusteloze betrokkene overlijdt ná de bloedafname, zonder de mogelijkheid om toestemming of weigering voor de medewerking aan het onderzoek kenbaar te maken, dient het bloed c.q. het urinemonster te worden vernietigd. Aldus is bepaald in art. 16, lid 2 van het Besluit alcoholonderzoeken.


  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Richtlijn voor de bloedafname
    Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) heeft de volgende richtlijn uitgegeven met een omschrijving van de uitvoering van de procedure:
    ¥¥¥
    Voor de forensisch arts:
    Van belang is dat de wet voorschrijft dat de bepaling geschiedt uit veneus bloed. Als dit om wat voor (logistieke, organisatorische, medische, etc.) reden niet afgenomen kan worden dient hiervan te worden afgezien en dit aan de (hulp)OvJ meegedeeld te worden. Hierbij dient bedacht te worden dat medische behandeling altijd voorrang heeft boven de belangen van opsporing en vervolging.

    Het is niet noodzakelijk om het afsluitrubber op de monsterbuis te desinfecteren. Bij de procedure van bloedafname mogen (logisch!) geen desinfectantia op alcoholbasis gebruikt worden.

    Volgens artikel 13 van de Regeling bloed- en urineonderzoek (zie hierboven) mogen andere, dan die volgens de wet door het NFI aangewezen, onderzoeksmaterialen gebruikt worden, die tenminste aan gelijkwaardige technische eisen voldoen. Er is dus geen sprake van een 'verplichting' om bij de bloedafname uitsluitend de in het bloedblok aanwezige spuit en naald te gebruiken. Dat is volledig ter beoordeling van de arts die het bloedmonster 'lege artis' afneemt.

    Volgens artikel 6 van de Regeling bloed- en urineonderzoek (zie hierboven) voorziet de (verplicht aanwezige) opsporingsambtenaar de verzamelde bloed- (of urine) monsters van een genummerd en op naam gesteld identiteitszegel. Alleen dan ontstaat de wettelijk verplichte 'chain of evidence' die het bloedmonster koppelt aan de verdachte. Het behoort dus niet tot de opgave van de arts om dit zelf te doen (of te willen doen). De regelgeving is duidelijk hierover. Afwijzing van het bewijsmiddel door het NFI wegens 'foute bestickering' kan achteraf niet aan de forensisch arts worden verweten.

    Het tijdstip van de afname dient vermeld te worden om te bepalen of het, volgens de wet verplichte, uur wachttijd na de vordering in acht is genomen. Het tijdstip dient dus niet om, meestal op arbitraire gronden, te gaan 'terugrekenen' met de uiteindelijk vastgestelde bloed-alcohol spiegel bij het NFI.
    Het gaat niet om de 'klinische waarheid' - die, snel en net zo betrouwbaar, wordt geleverd door een ziekenhuislaboratorium - maar om de 'juridische waarheid' van het bewijsmiddel.

    De politie, die om de bloedafname vraagt, en die ook voor de kosten van de bepalingen bij het NFI opdraait, mag helemaal zelf besluiten welke bepaling of bepalingen bij het NFI wordt of worden uitgevoerd. De Politie is niet verplicht om een (on)gevraagd advies van de forensisch arts op te volgen over de gewenste bepalingen (zie art 17 van het Besluit alcoholonderzoeken). Dat hangt volledig van de situatie af. Veel forensisch (werkzame) artsen (b)lijken zich dit niet te realiseren. De forensisch arts in Nederland is geen (buitengewoon) opsporingsambtenaar in dienst van politie of justitie. Opsporingskosten komen geheel ten laste van de Politie en niet van het OM. Het NFI stuurt de rekening van de bepaling niet naar het OM maar naar het betreffende politiekorps. Het OM mag daarna, na kennisname van de resultaten, besluiten of en op welke wijze wordt vervolgd.
    Alleen voor alcohol geldt een kwantitatieve norm. Vanuit strafvorderlijk oogpunt is de uitsluitend kwalitatieve norm voor het aantonen van middelengebruik een hachelijke onderneming die gemakkelijk schipbreuk kan lijden. Nieuwe wetgeving is weliswaar in voorbereiding maar nog niet van kracht. De kosten van twee bepalingen, voor het NFI zonder enig probleem mogelijk uit hetzelfde bloedmonster, moeten echter wel bij het NFI worden afgerekend. Veel politiekorpsen zullen, zonder duidelijke aanwijzingen, dan ook liever afzien van het aanvragen van beide bepalingen en kiezen voor de 'zekere' bepaling van de invloed van alcohol.

    Indien betrokkene niet in staat is om zijn/haar toestemming expliciet duidelijk te maken (zoals bij bewusteloosheid, verwardheid met motorische onrust, etc,) is de bloedafname op vordering van de hulp(OvJ) toegestaan als dit op medisch verantwoorde wijze mogelijk is. Het onderzoek van betrokkene, die hiervoor geen toestemming kan geven, blijft dan achterwege. Op het formulier dient de onderstreepte opmerking "geen toestemming" te worden geplaatst. Het NFI zal dan pas overgaan tot onderzoek van het bloedmonster als op een later tijdstip alsnog de toestemming van betrokkene via de (hulp)OvJ wordt verkregen. Wordt deze toestemming niet verkregen zal het bloedmonster, zonder dat enig onderzoek plaatsvindt of mag plaatsvinden, door het NFI (moeten) worden vernietigd.

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Opmerking
    Bepalingen in wetgeving zijn niet tegelijkertijd wettelijke voorschriften die artsen kunnen verplichten of voorschrijven om medewerking bij de tenuitvoerlegging hiervan te gaan verlenen. De forensisch arts is geen uitvoerend politieambtenaar met een geweldsinstructie. Indien de betrokkene na een bevel tot medewerking van de (h)OvJ, en na adequate uitleg hierover, geen medewerking aan de bloedafname wenst te verlenen dient de forensisch arts hiervan af te zien en dit vast te leggen op het formulier voor de bloedafname (deze mogelijkheid wordt op dit formulier ook vermeld). Het afnemen van bloed onder dwang levert een verhoogd risico op voor prikaccidenten. Het uitvoeren van medische (be)handelingen onder dwang is in strijd met algemene medisch-ethische principes en internationale verdragen. Zo nodig dient dit onomwonden aan de (h)OvJ te worden duidelijk gemaakt. De consequenties van de weigering kunnen door de OvJ worden afgedaan met een boetebeschikking of ter beoordeling aan de rechterlijke macht (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht) worden voorgelegd.
    (zie ook de DNA-richtlijn van het FMG)

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • DNA-profiel bepaling

    ¥¥¥
    Algemeen
    Over de afname van DNA materiaal in het kader van strafvorderlijk onderzoek en de wetgeving hierover blijken misverstanden te bestaan. Het is volledig onduidelijk waarom artsen en verpleegkundigen bij de uitvoering van deze wetgeving nog zouden moeten worden betrokken, temeer daar de 'vingerprik' - die patienten met diabetes mellitus zichzef regelmatig aandoen of aangedaan wordt - als methode van afname zelfs niet de voorkeur verdient. Afname via wangslijmvlies kan zonder enige 'medische' bemoeienis plaatsvinden en is intussen gemeengoed geworden.

    De betrokkene, die al of niet 'op bevel van de OvJ' toch een 'vrijwillige' en daarvoor niet noodzakelijke bloedafname wenst, zou volledigheidshalve op het risico van een panaritium, met mogelijk ernstige gevolgen, kunnen worden gewezen. Dit risico is overigens - ter gerustststelling - bij het gebruik van steriele materialen vrijwel te verwaarlozen.
    We plaatsen de thans vigerende wetgeving over dit onderwerp: ¥¥¥
    Richtlijn FMG
    Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) heeft in juli 2010 de volgende richtlijn uitgegeven met een omschrijving van de uitvoering van de procedure en voorzien van een nogal merkwaardige toelichting hierop:
  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Eerste opmerking van de FOMAT:
    Uit de bovenstaande FMG-richtlijn:

    "Voor het afnemen van DNA-materiaal is geen medische deskundigheid vereist en de inzet van artsen of verpleegkundigen is derhalve overbodig. Als een verdachte of veroordeelde toestemming geeft voor afname van DNA-materiaal (haren, wangslijmvlies of bloed) dan is er geen probleem voor een arts om dit materiaal af te nemen. Bij bezwaar of verzet van de te onderzoeken persoon dient een arts of verpleegkundige geen DNA-materiaal af te nemen, omdat dit een ongeoorloofde inbreuk op de lichamelijke integriteit van de betrokken persoon is. De officier van justitie kan een forensisch arts (***) geen opdracht geven DNA-materiaal af te nemen, laat staan de opdracht geven een inbreuk op de lichamelijke integriteit van een persoon te plegen."

    De uitzonderingspositie van artsen in dienst van (en betaald door) Justitie, waarop in de toelichting bij de bovenstaande richtlijn wordt gezinspeeld, is merkwaardig. De artseneed prevaleert, ook voor hen, te allen tijde en altijd, boven 'dienstopdrachten' van diensthoofden. En natuurlijk ook het respect voor de lichamelijke integriteit van hun patienten.
    Het is niet zo alsof ze dat zelf niet allang hadden bedacht!

    Een arts in in dienst van Justitie (zoals in penitentiaire inrichtingen) weet natuurlijk dat hij/zij alle geloofwaardigheid (en die van de medische professie) verliest als wordt overgegaan tot het gebruik van geweld bij medische (be)handelingen. Dergelijk optreden zou niet binnen de muren van de instelling verborgen blijven en zich als een lopend vuurtje in de kringen van gedetineerden (en daarbuiten) verspreiden.

    De wetgever was in 2001 (!) ook al tot dit besef gekomen gezien de bepaling in artikel 2, lid 9, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. Indien een betrokkene dit al zou wensen is afname van DNA-materiaal door een arts of verpleegkundige, die verbonden is aan de instelling alwaar de betrokkene verblijft, zelfs alleen maar mogelijk indien van tevoren een speciaal schriftelijk verzoek daartoe door betrokkene zelf wordt ingediend. Dat laat niets aan duidelijkheid te wensen over.

    De reden waarom een zinsnede over de "arts in dienst van Justitie" in deze richtlijn van het FMG werd opgenomen, en de illustere gedachtengang die hieraan ten grondslag zou moeten liggen, is volledig onduidelijk.

    Ook verpleegkundigen - al of niet in dienst van Justitie - die een eigen beroepscode van gelijke strekking, als vervat in de artseneed, hebben ontwikkeld, kunnen door de 'uitvoerende macht' niet worden gedwongen of opgedragen om mee te gaan werken aan medische (be)handelingen tegen de wil van verdachten of veroordeelden. Uiteraard dienen zij daarbij altijd, zonder enige terughoudendheid en onvoorwaardelijk, gesteund en bijgestaan te worden door elke forensisch arts, ongeacht of die in dienst van Justitie is getreden of niet.

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Tweede opmerking van de FOMAT:
    Nogmaals uit de bovenstaande FMG-richtlijn:

    "De lichamelijke integriteit van een ieder wordt beschermd door art. 10 van de Grondwet. In inbreuk is alleen toegestaan op grond van een expliciete wettelijke bepaling. Opvallend is dat de wetgever indertijd besloten heeft dat bloedafname in het kader van de Wegenverkeerswet niet afgedwongen kan worden. Als iemand ‘de bloedproef’ als inbreuk op zijn lichamelijke integriteit niet accepteert, dan wordt dat geaccepteerd. Weliswaar is de weigering om ‘mee te werken’ wel strafbaar, maar de lichamelijke integriteit blijft overeind."

    De verwijzing naar art. 10 van de Grondwet ("Eerbiediging persoonlijke levenssfeer") is eveneens merkwaardig. Het lijkt echter, zoals uit de navolgende formulering voortvloeit, te gaan om art. 11 van de Grondwet ("Onaantastbaarheid eigen lichaam").
    Volgens art. 94 van de Grondwet ("Verdragsbepalingen en besluiten volkenrechtelijke organisaties gaan boven wet") is het in Nederland niet toegestaan om wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet. Dat geldt ook de voor de bepalingen in de WVW, de DNA-wetgeving en de hierna nog te bespreken, recent in werking getreden, bloedtest in strafzaken.

    De ontwerpers van de FMG richtlijn lijken, hoewel ze dat niet aangeven, daarmee te willen verwijzen naar het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag (EVRM) ("Recht op eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven"). In het EVRM staat in het tweede lid van artikel 8 precies omschreven in welke gevallen uitzonderingen mogen worden gemaakt. En daar is nogal wat discussie over mogelijk. Bloedafname in het kader van de handhaving (en het publiek belang) van de verkeersveiligheid wordt juist niet beoordeeld als in strijd met het EVRM, zolang een betrokkene tenminste niet kan worden verplicht om 'onder dwang' mee te werken en er dus sprake is van 'informed consent'.

    Maatgevend voor de weigering van de forensisch arts om zonder toestemming van een betrokkene mee te gaan werken aan een 'gedwongen' bloedafname zijn echter de bepalingen in art. 3 van het Europees Verdrag (EVRM). Artsen die zich daar niet aan houden, of menen te moeten houden, kunnen binnen afzienbare tijd ongetwijfeld een bezoekje tegemoet zien van een speciale Europese Commissie die met het toezicht op de naleving van art. 3 is belast. Die commissie zal bepaald 'not amused' zijn indien zij zou vernemen dat forensisch artsen in Nederland zich aan dergelijke praktijken schuldig blijken te maken.
    Wellicht ten overvloede wijzen we ook op de Richtlijn van de World Medical Association.

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Reactie van Formedex:
    Op 22 juli 2010 ontving de FOMAT, op de vraag om een inhoudelijke reactie op de twee bovenstaande opmerkingen, de volgende mail van het expertise-centrum:

    Beste semi-anonieme leden van "fomat",
    Waarom doen jullie zo geheimzinnig? Je kan toch gewoon al lang op de hoogte zijn van het bestaan van fmg en formedex? En als je uitvoerend forensisch arts zou zijn is het toch mogelijk via je lokale coördinator fg invloed te hebben op de op te stellen of te reviseren richtlijnen? Maw: kom uit de kast en doe normaal mee ....
    Vr groeten,
    Formedex team


    (afzender bij de FOMAT bekend)

    Ter verduidelijking voor onze bezoekers:
    De Forensisch Medische Associatie Twente is een onafhankelijk en ongebonden initiatief van een aantal forensische artsen met het doel om kennis en expertise te bundelen op het gebied van de forensische geneeskunde. Daarmee komen wij 'uit de kast' met onze website en daar mag iedereen van vinden of denken wat hem/haar goeddunkt. We zijn echter geen Facebook of Hyves en we hechten niet zo aan 'personal profiles'. Wij vinden onszelf niet zo belangrijk.

    Uiteraard zijn wij uitstekend 'op de hoogte van het bestaan van fmg en formedex' waarvan de hyperlinks al sinds 2006 op onze website worden vermeld.
    De FOMAT richt zich uitsluitend op voorlichting, onderwijs en de wetenschappelijke aspecten van het vakgebied en maakt geen onderdeel uit van het bestuursorgaan of de GGD Regio Twente.
    De FOMAT heeft geen enkele intentie om betaalde werkzaamheden uit te (gaan) voeren op het gebied van de forensische geneeskunde.

    Het bovenstaande is uitgebreid bekend bij de 'semi-anonieme' lokale coördinator fg in Enschede, wiens naam, functie, CV met foto en/of vingerafdrukken, DNA-profiel, vaccinatiestatus en een diepgaande wetenschappelijke of enige andere interesse (of belang) op de betreffende website NIET worden vermeld of onthuld. Ook informatie over de sinds 1 januari 2010 bestaande plicht tot overleg met de gemeentelijk lijkschouwer bij overlijden van minderjarigen ontbreekt volledig.

    Wij vragen of ontvangen geen enkele vergoeding voor de kennisverspreiding. Wij hebben ook geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Daarmee blijven we strikt onafhankelijk en ongebonden. Wij vertegenwoordigen geen enkel belang van wat of voor wie dan ook. Deskundigen die door ons worden geraadpleegd, en die weten precies wie wij zijn, ter verbetering of vormgeving van de informatie, ontvangen voor hun aanvullingen/adviezen geen vergoedingen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Postmortale DNA-afname
    Sinds de invoering van de gewijzigde Wet op de lijkbezorging op 1 januari 2010 is de burgemeester volgens artikel 21, lid 3 t/m 6, verantwoordelijk voor het onderzoek naar de identiteit van onbekende overledenen. Van alle personen die nu dood worden aangetroffen en van wie de identiteit niet bekend is, dient DNA-materiaal te worden afgenomen. Door de ontwikkelingen op DNA-gebied zijn er nu meer mogelijkheden om onderzoek te verrichten naar de identiteit.

    Bij de zgn. 'lijkvinding', waarbij de identiteit van een stoffelijk overschot niet kan worden vastgesteld, heeft de forensisch arts als gemeentelijk lijkschouwer slechts een beperkte en uiterst marginale bemoeienis. Vrijwel altijd zal nader onderzoek plaatsvinden bij het NFI in Den Haag. Daarbij wordt standaard DNA-materiaal van het stoffelijk overschot afgenomen. De beschrijving van identificerende lichaamskenmerken en het afnemen van een gebitsstatus behoort tot de taken van de forensisch patholoog en odontoloog bij het NFI. Hiervan zal een proces-verbaal worden opgemaakt met de nodige fotografische documentatie om latere uiterst pijnlijke 'persoonsverwisselingen' te vermijden.

    Uit de Memorie van Toelichting (pag. 9) - die intussen alweer dateert uit 2006 - bij de wetswijziging:

    Afname celmateriaal ter identificatie van onbekende doden
    Vermist is erger dan overleden, wordt wel gezegd. Vandaar dat alle mogelijkheden benut moeten worden om mensen die als vermist te boek staan, te vinden. Dat geldt ook – of misschien wel juist – indien zij zijn overleden. Het is dus van belang dat er geen mensen worden begraven of gecremeerd van wie de identiteit niet bekend is. En indien dat toch niet anders kan, dan moet in ieder geval voordien celmateriaal worden afgenomen. Met behulp van dit celmateriaal kan een zogeheten DNA-profiel worden bepaald, waarmee – mogelijk vele jaren later – de identiteit van de overledene kan worden vastgesteld. De betrokken DNA-gegevens zullen worden opgenomen in de databank voor vermiste personen en stoffelijke overschotten die door het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) wordt bijgehouden.

    Plicht tot begraven van onbekende doden
    Bij onbekende doden wordt – zoals hiervoor is aangegeven – materiaal afgenomen met het oog op mogelijke identificatie. Als die identificatie snel plaatsvindt, zijn wellicht nabestaanden alsnog in de gelegenheid om in de lijkbezorging te voorzien. In alle andere gevallen zal deze van gemeentewege verzorgd worden. Dat kan zowel begraven als cremeren inhouden. In het laatste geval heeft dat als consequentie dat eventueel later alsnog getraceerde nabestaanden geen graf kunnen bezoeken, en mogelijk zelfs geen asbus hebben, namelijk indien de as inmiddels is verstrooid. Dit is onwenselijk. Daarom wordt nu voorgesteld dat onbekende doden worden begraven, waardoor er gedurende minimaal tien jaar een herkenbare plek blijft bestaan.

    Het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO), ook wel bekend als het Rampen Identificatie Team, bestaat uit medewerkers van de Politie, Defensie en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De sector technische identificatie beschikt over een speciale container waarin o.a. specialistische gereedschappen voor odontologie, dactyloscopie en DNA-onderzoek beschikbaar zijn. In dit team, dat zich medio november 2007 presenteerde, wordt de deskundigheid op het gebied van forensische opsporing en identificatie van onbekende doden gebundeld. Voor degenen die vragen hebben over dit onderwerp plaatsen we ook de recente uitgebreide (engelse) verhandelingen die zijn verschenen: Verzoek DNA-afname door nabestaanden.
    Bij een natuurlijke dood of na vrijgave van het stoffelijk overschot door de OvJ hebben de nabestaanden de volledige vrijheid om op eigen initiatief (en kosten!) tot de afname van lichaamsmateriaal van de overledene - zo zij dit, om wat voor reden dan ook, wensen - over te gaan. Sinds 1 januari 2010 is volgens de Wet op de lijkbezorging ook thanatopraxie mogelijk geworden waarbij, door inbrenging van canules in de halsregio van het stoffelijk overschot, wordt overgegaan tot postmortale exsanguinatie, waarbij uiteraard ook bloedmonsters kunnen worden afgenomen. Postmortale afname van wangslijmvlies is natuurlijk ook mogelijk. Een juridisch houdbare 'koppeling' van het bloedmonster of ander materiaal en de identiteit van het stoffeljk overschot zal echter alleen kunnen plaatsvinden middels een proces-verbaal van de de afname door een hiertoe bevoegde ambtenaar. Enige bemoeienis van een een (forensisch) arts is hierbij niet noodzakelijk.

    Hoe lang is een DNA monster houdbaar?
    Onder voorwaarde dat de monsters op de juiste wijze zijn bewaard, blijven zij enkele maanden tot zelfs enkele jaren houdbaar. Voor wangslijmvlies betekent dit op kamertemperatuur, na goed laten drogen. Niet bewaren in plastic in verband met schimmelvorming. Voor volbloed (1 EDTA buisje van 5 ml) geldt bewaren op kamertemperatuur/in de koeling. Niet invriezen.
    Via het internet kunnen de benodigde materialen eenvoudig worden besteld en wordt het DNA-profiel van het ingestuurde materiaal simpelweg per post bezorgd. De prijzen blijken nogal uiteen te lopen.



  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Bloedtest in strafzaken


    ¥¥¥
    Bloedtest verdachte (wetgeving sinds 1 juli 2010 van kracht)
    Sinds februari 2007 is deze wetgeving in behandeling geweest die het mogelijk moet maken om vast te stellen of een verdachte bij het plegen van een strafbaar feit, iemand kan hebben besmet met een ziekte (vooralsnog alleen HIV, Hepatitis B en C).
  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Algemeen
    Uitgangspunt is dat de verdachte vrijwillig (met schriftelijke toestemming) meewerkt aan de afname van bloed; bij weigering kan de officier van justitie een bevel geven de test te ondergaan na toestemming van de rechter-commissaris. De verdachte mag een tegenonderzoek laten uitvoeren.
    Een verplichting om aan een test mee te werken, waarbij het resultaat (de uitslag) wordt meegedeeld aan een 'derde' (het slachtoffer via zijn/haar huisarts of medisch specialist), die hier een 'kennelijk belang' bij heeft, kan alleen als er sprake is van een verdachte van een misdrijf. Ook moet het redelijke vermoeden bestaan dat besmetting door dat misdrijf is overgebracht.
    Vergelijkbaar met het weigeren van een bloedafname bij de alcohol-bepaling (zie hierboven) zal een volgehouden weigering betekenen dat de verdachte zich schuldig maakt aan een misdrijf volgens artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.

    Het is echter ook mogelijk dat het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van bloed dat op andere wijze van de verdachte is afgenomen. Bij dat bloed kan gedacht worden aan bloed dat door de huisarts, ziekenhuis, NFI, of onderzoekslaboratorium bij de verdachte op een eerder tijdstip werd afgenomen en dat nog beschikbaar is en op bevel van de Officier van Justitie in beslag kan worden genomen door de politie. Het is de vraag of dit soort bloedmonsters óók, zonder de toestemming van de verdachte, als juridisch toelaatbaar 'bewijsmiddel' kunnen worden gebruikt, zonder dat dit ter toetsing is voorgelegd aan de rechter-commissaris.

    Het voorstel werd op 18 september 2008 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. De uitvoering werd nader uitgewerkt in een AMvB (het Besluit bloedtest in strafzaken). Een richtlijn voor de uitvoering wordt nog opgesteld door het OM en zal informatiemateriaal over de maatregel bevatten. Het wetsvoorstel werd door de Eerste Kamer op 10 november 2009 als hamerstuk afgedaan. De wet werd opgenomen in het Staatsblad van 20 november 2009 . De wetgeving is bij Koninklijk Besluit (stb-2010-151) op 1 juli 2010 in werking getreden. De definitieve tekst van de wetgeving: Voor het onderzoek na zedendelicten zal dit betekenen dat een afweging moet gaan plaatsvinden tussen de belangen van opsporing en vervolging (sporenonderzoek) en de belangen van het slachtoffer (kans op transmissie).

    Opmerking FOMAT:
    De al of niet positieve uitslag van het bloedonderzoek of een bloedmonster kan ook gebruikt gaan worden als 'bewijsmiddel' bij de tenlastelegging. Dit lijkt in strijd met het "nemo tenetur" beginsel indien de verdachte wordt bevolen om de bloedtest te ondergaan. Hieraan werd aandacht besteed in de Memorie van toelichting bij indiening van het wetsvoorstel en in antwoord op vragen van de Eerste Kamer. Het is te verwachten dat dit juridische aspect van de wetgeving door de advocatuur binnen enkele jaren ter toetsing aan het Europese Hof zal worden voorgelegd.
    Onderzoek van bloedmonsters ter vaststelling van het transmissie-risico van een derde (zie hieronder) lijkt te vallen onder de uitzonderingen die het EVRM hiervoor in art. 8 ("bescherming van de rechten en vrijheden van anderen") heeft voorzien.

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Transmissie onderzoek
    Het verrichten van brononderzoek bij incidenten met mogelijke transmissie is een bekend fenomeen. De meeste instellingen voor de gezondheidszorg hebben hiervoor protocollen ontwikkeld. Het medisch doel van de bloedafname is om daarmee het het risico van transmissie zo snel als mogelijk in te kunnen schatten. Helaas werd dit door de wetgever verward met een strafvorderlijk juridisch doel om via een 'bewijsmiddel' de strafbaarheid van de dader te kunnen aantonen. Op grond van overwegingen van uitvoerbaarheid is deze juridische benadering vanuit het perspectief van het slachtoffer een pijnlijke vergissing. De mogelijkheid bestaat dat een verdachte wel zou willen meewerken aan de bloedafname om medische redenen maar dit weigert vanwege juridische redenen.

    In april 2007 heeft het RIVM in samenwerking met een groot aantal instellingen en werkgroepen een landelijke richtlijn uitgebracht: Op de laatste pagina van bovenstaande richtlijn staat ook een voorbeeld van een 'informed consent' formulier waarmee de betrokkene kan aangeven dat toestemming wordt verleend voor het uitvoeren van de (medische) bloedafname en op welke wijze de betrokkene zelf via zijn/haar huisarts of andere arts ook (al of niet!) op de hoogte dient te worden gesteld van het resultaat van de bepalingen.

    Aan de hand van deze richtlijn kan op gestructureerde wijze een inschatting gemaakt worden van het risico op infectie met HBV, HCV en HIV ten gevolge van het incident. Afhankelijk van het risico worden al dan niet maatregelen geadviseerd om het slachtoffer tegen infectie te beschermen (PEP = Post Expositie Profylaxe) of een eventueel opgetreden infectie in een vroeg stadium te onderkennen.
    Bij hoog-risico incidenten dient PEP bij voorkeur binnen twee uur te worden gestart tot maximaal 72 uur na het incident. De frequentie en de ernst van mogelijke bijwerkingen van antiretrovirale middelen vereisen een zorgvuldige afweging van kans op besmetting en kans op bijwerkingen. PEP dient te worden voorgeschreven door of onder supervisie van een ervaren aidsbehandelaar; follow-up vindt bij voorkeur plaats in een gespecialiseerd centrum.

    Indien een verdachte (zoals omschreven in het wetsvoorstel) bereid is om vrijwillig mee te werken, en instemt met de per omgaande bekendmaking van de uitslag aan het slachtoffer (via de navolgend behandelend arts), kan de bloedafname voor brononderzoek in feite het beste - en desnoods onder toezicht van een politie-ambtenaar (zoals de wet voorschrijft) - plaatsvinden in het ziekenhuis alwaar ook het laboratoriumonderzoek, de advisering en evt. behandeling van het slachtoffer plaatsvindt. Zo nodig kan de verdachte onder begeleiding van politie-ambtenaren naar het ziekenhuis of laboratorium worden overgebracht. Hiermee wordt onnodig tijdverlies voorkomen en blijft de dossiervorming i.v.m. de mogelijke transmissie en follow-up in handen van de ziekenhuisarts c.q. specialist. De belangen van het slachtoffer van een accidentele transmissie zijn in de eerste plaats van medische en niet van juridische aard. Ook hier dient (ook voor de forensisch arts) te gelden dat het medisch belang (in dit geval van het slachtoffer) prevaleert boven de belangen van opsporing en vervolging.

    De rol van de forensisch arts ligt niet zozeer bij de eigenlijke juridische bloedafname, die net zo goed een dag of enkele dagen later kan plaatsvinden en ook door een verpleegkundige mag worden uitgevoerd (volgens art.3, lid 3 van het Besluit), maar veel meer bij de (evt. telefonische) medische voorlichting van zowel slachtoffer als de verdachte. Daarnaast is veelal ook contact noodzakelijk met de medisch specialist die de evt. PEP gaat voorschrijven en is van belang ervoor te waken dat onnodig tijdverlies gaat optreden. Inschakeling van de forensisch arts komt daarna in beeld indien de verdachte weigert om mee te werken aan een bloedonderzoek. Te vrezen valt dat de bemoeienis van de Officier van Justitie en de toestemming van de rechter-commissaris zo veel tijd in beslag zal nemen dat daarmee een zinvolle PEP vrijwel overbodig wordt.

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Opmerking FOMAT
    Volgens Strafvordering art.151e, lid 4, wordt het bevel zonodig met behulp van de sterke arm tenuitvoergelegd.
    Ook hier dient bedacht te worden dat bepalingen in wetgeving niet tegelijkertijd wettelijke voorschriften zijn die artsen kunnen verplichten of voorschrijven om medewerking bij de tenuitvoerlegging hiervan te gaan verlenen. De forensisch arts is geen uitvoerend politieambtenaar met een geweldsinstructie (dit geldt ook voor verpleegkundigen!). Indien de betrokkene, na gehoord te zijn door de rechter-commissaris en een bevel tot medewerking van de OvJ, na adequate uitleg hierover toch geen medewerking aan de bloedafname (met een vereiste schriftelijke toestemming) wenst te verlenen dient de forensisch arts hiervan af te zien. Het uitvoeren van medische (be)handelingen onder dwang is in strijd met algemene medisch-ethische principes en internationale verdragen. Het afnemen van bloed onder dwang levert een verhoogd risico op voor prikaccidenten. Zo nodig dient dit onomwonden aan de OvJ te worden duidelijk gemaakt, die, als hij/zij het daar niet mee eens is, het bloed dan ook maar zelf moet komen afnemen (!). De consequenties van de weigering van het bevel kunnen door de OvJ ter beoordeling aan de rechterlijke macht (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht) worden voorgelegd.
    De beroepsgroep heeft al eerder het standpunt ingenomen, dat een forensisch arts geen bloed of ander materiaal afneemt bij een persoon die zich daadwerkelijk (dus niet alleen verbaal) heftig verzet. Ook de KNMG stelt zich op dit standpunt. Dit geldt natuurlijk ook voor verpleegkundigen en 'priklab' medewerkers die onder (mede)verantwoordelijkheid van een arts werken.

    Tot slot bestaat ook nog de mogelijkheid dat de verdachte bij het plegen van het misdrijf onbedoeld besmet is geraakt door het slachtoffer. Het wetsvoorstel doet hier geen uitspraak over. In dat geval is het voor de forensisch arts van belang te onderkennen dat ook de verdachte "mutatis mutandis", evt. via een bevel van de OvJ, van het slachtoffer de medewerking kan afdwingen voor een bloedtest in het kader van brononderzoek. Hoe moeilijk en pijnlijk deze gedachte voor sommigen van u mag zijn: ook een verdachte heeft recht op een PEP bij een risico van besmetting door een transmissie via het slachtoffer.

  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Sporenonderzoek

    De forensisch arts is geen (buitengewoon) opsporingsambtenaar en is zich terdege bewust van zijn/haar beperkingen en houdt zich uitsluitend bezig met medische aangegelegenheden en competenties in het kader van de waarheidsvinding en niet met andere activiteiten op het gebied van de opsporing en vervolging die tot het domein van politie en het OM behoren. Het analyseren van bloedvlekken, bloedsporen, bloedspat-patronen en dergelijke behoren niet tot de competenties van eerste-lijns forensisch artsen. Justitie heeft geen behoefte aan grote aantallen experts op dit gebied.
    Het vakgebied houdt zich bezig met de forensische geneeskunde en niet met de forensische opsporing als een soort 'zelfbenoemde' medische opsporingsinstantie van strafbare feiten. Voor de duidelijkheid: de forensisch arts houdt zich ook niet bezig met het uitschrijven van bekeuringen of het opleggen van boetes bij wetsovertredingen.

    ¥¥¥
    Bloedafname bij intoxicaties
    Het Wetboek van Strafvordering (Wsv) voorziet niet in een bloedafname om te bepalen of een verdachte ten tijde van het plegen van een misdrijf 'onder invloed' verkeerde. Een vordering van de (h)OvJ om over te gaan tot een bloed- en/of urineafname mist daarmee een rechtsgrond. Uitsluitend het bezit van verdovende middelen is strafbaar, niet het gebruik ervan. Ook het gebruik van alcohol of de inname van geneesmiddelen is, buiten het bepaalde in art. 8 WVW, niet strafbaar gesteld. Het Wetboek van Strafrecht is geen 'doping-reglement'. Met een bloed- en/of urineafname wordt alleen het gebruik aangetoond. Indien een betrokkene weigert om mee te werken heeft de (h)OvJ geen mogelijkheid om hiertoe een bevel te geven omdat het Wetboek van Strafvordering hierin (tot nu toe) niet voorziet.
    Het afnemen van bloed, zonder dat hier een strafvorderlijke noodzaak toe bestaat, is in strijd met art. 7 van het Europees Verdrag (EVRM). Van de forensisch arts en de betrokkene kan niet worden verwacht om mee te gaan werken aan volledig overbodige medische (be)handelingen. Zo nodig dient de (hulp)OvJ hierop te worden gewezen. Indien een (hulp)OvJ toch een bloedafname wenst en de betrokkene vrijwillig instemt met de bloed- en/of urineafname is er overigens geen enkel bezwaar tegen.
    Deze beperking van de wetgeving is ook in de politiek bekend: Bloedafname is uiteraard wel mogelijk om bij een slachtoffer, die hiermee natuurlijk zal instemmen, van een accidentele intoxicatie - al of niet met criminele intentie - een bepaalde stof in het bloed aan te tonen. Dit valt buiten de toepassing van art.8 WVW. In dit soort gevallen is het soms zinvol om eerst te overleggen met het NFI om de juiste wijze van afname en het transportmedium weloverwogen te kunnen kiezen. Vrijwel altijd zal dan zowel bloed als urine worden onderzocht. Soms kan hiervoor hetzelfde 'bloedblok' en de set voor urineafname worden gebruikt; is echter serumonderzoek noodzakelijk zal (ook) een buisje 'stolbloed' moeten worden ingestuurd.

    Vanzelfsprekend is het uitsluitend afnemen van urine (volgens de wet moet dit onder toezicht van een arts geschieden) een weinig zinvolle actie zonder dat dit gecombineerd wordt met de gelijktijdige afname van bloed. In penitentiaire inrichtingen wordt de urine-afname zonder bloedafname nog wel gebruikt om daarmee (via de metabolieten) aan te tonen dat binnen de inrichting sprake is van druggebruik (zie de Penitentiare Beginselenwet hierover).

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Speekseltesten
    Sinds enige tijd circuleren berichten over een uitbreiding van de wetgeving m.b.t het gebruik van speekseltesten voor het aantonen van (genees)middelengebruik. Een probleem hierbij is de kwantificering en de datering van het gebruik. Hetzelfde geldt voor de postmortale inzet van dit soort testen bij de lijkschouw (zie hierna). De FOMAT volgt de ontwikkelingen rondom deze nieuwe wetgeving.
    We zullen hier aandacht aan gaan besteden.
    Dat ook haartesten tot verraderlijke conclusies kunnen leiden, ook na onderzoek bij het NFI, bleek voor het OM ook al eens uiterst pijnlijk:
  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • ¥¥¥
    Postmortaal aantonen van intoxicaties
    Regelmatig wordt in gevallen van 'onverklaard overlijden' bij de lijkschouw de suggestie geopperd dat er ook sprake zou kunnen zijn van een 'intoxicatie'. De (hulp)OvJ is volgens de wet niet verplicht om de aanbeveling tot nader onderzoek (bloedmonster, haarmonsters, oogbolvocht, speekseltesten, etc.) van de gemeentelijk lijkschouwer op te volgen. Aangezien er bij een intoxicatie sprake is van een (mogelijk) niet-natuurlijk overlijden betekent dit dat formeel volgens de Wet op de lijkbezorging een artikel 10 verklaring afgegeven dient te worden. Zonder toestemming van de (hulp)OvJ is formeel elk postmortaal onderzoek ter opheldering van de doodsoorzaak altijd afhankelijk van de toestemming van de nabestaanden. Nederland kent nu eenmaal, tot nu toe, buiten een toestemming van de OvJ, géén dwingend wettelijk voorschrift of plicht om, zonder aanwijzing of verdenking van een niet-natuurlijk overlijden ('circumstantial evidence'), over te gaan tot nader onderzoek naar de doodsoorzaak. Zelfs bij de veelbesproken NODO-wetgeving, en dat is een veel voorkomend misverstand, ontstaat géén wettelijke verplichting tot het ophelderen van de doodsoorzaak.
    Een juridisch houdbare koppeling ('chain of evidence') van het afgenomen materiaal met het stoffelijk overschot vereist de opmaak van een proces-verbaal door een hiertoe bevoegde ambtenaar van politie (net als bij de andere afnames van lichaamsmateriaal). Indien de opheldering, ook door de Officier van Justititie, van belang wordt geacht kan beter direct onderzoek bij het NFI worden aanbevolen. Bij de bevestiging van de mogelijkheid van een intoxicatie speelt de causaliteitsvraag vervolgens een rol, en die is vaak uiterst moeilijk te beantwoorden. Helaas blijken veel forensisch (werkzame) artsen zich niet te realiseren dat de Politie opdraait voor de kosten van dit soort (opsporings)onderzoek. Het rendement voor Justitie van al dit soort forensische onderzoeken naar al of niet vermeende 'intoxicaties' is niet erg groot.

    Een klinisch pathologisch onderzoek over de jaren 1984-1992 leidde overigens tot een aanbeveling tot het uitvoeren van dit onderzoek in het kader van het ophelderen van doodsoorzaken. De strafvorderlijke waarde bleef echter onderbelicht. In feite zijn deze gegevens al verouderd door de ontwikkeling van nieuwe analysetechnieken; herhaling van dit onderzoek zou echter wrsch. precies dezelfde resultaten opleveren: In januari 2011 bleek een Officier van Justitie van het Parket in Amsterdam te beweren dat een postmortale afname van materiaal en het uivoeren van een (kwalitatieve) toxicologische screening deel zou uitmaken van de 'normale schouw' door de forensisch arts. Derhalve zou een formele toestemming van de OvJ niet noodzakelijk zijn. Helaas werd door de betreffende Officier vergeten aan te geven of het Openbaar Ministerie dan ook bereid zou zijn om de kosten van dit verkennend onderzoek naar de doodsoorzaak, dat nu ten laste van de Politie komt, voor haar rekening te nemen. Een reactie van het College van Procureurs Generaal op deze uitspraken bleef tot nu toe uit.
    Het Wetboek van Strafrecht is géén dopingreglement. Een overledene is niet strafbaar.
    (volgens Wetboek van Strafrecht artikel 69).
    Waar de plotselinge belangstelling van de staande magistratuur voor het actief ophelderen van doodsoorzaken vandaan kwam (dit valt in feite onder het Ministerie van BZK), met een zeer minimaal rendement voor Justitie, bleef onduidelijk. Vanuit sociaal-medisch oogpunt zou dit een onverwachte en ook welkome, zij het uiterst beperkte, aanvulling zijn op de geringe mogelijkheden tot opheldering van de doodsoorzaak. Helaas werd dit op geen enkele wijze onderbouwd met een wettelijke grondslag; niet vanuit de Wet op de lijkbezorging en ook niet vanuit het Wetboek van Strafvordering. Van de betreffende Officier van Justitie werd sindsdien niets meer vernomen.
    De discussie leidde wel tot kamervragen: De auteurs van bovenstaande publicatie en de steller van de kamervraag bleken zich niet helemaal gerealiseerd te hebben dat het postmortaal aantonen van het gebruik van allerlei middelen (bij patienten in ziekenhuizen meer regel dan uitzondering) in juridische zin helemaal niets zegt over de oorzaak van het overlijden zonder beantwoording van de causaliteitsvraag. Het 'aantonen' van acetylsalicylzuur in de urine bewijst dat de overledene voor het overlijden een aspirientje heeft ingenomen maar niet dat hij/zij door een 'vergiftiging met aspirine' om het leven is gekomen. De medische beroepsgroepen zitten ook zeker niet te wachten op het door een forensisch arts postmortaal bepalen van al of niet 'vermeende' of daadwerkelijke overdoseringen van allerlei medicamenten. Ook Jusititie zit niet te wachten op het aanwakkeren van eenzelfde soort nationale paranoia, die eerder ook al eens ontstond over het zgn. 'onverklaard overlijden'. De Officier van Justitie in Amsterdam bleek de 'vermeende' bevoegdheden van de Britse coroner uit de diverse televisieseries verward te hebben met die van de Nederlandse lijkschouwer. En dat bleek ook ondubbelzinnig uit de beantwoording van de kamervragen. De sociaal-medische wenselijkheid van de opheldering van doodsoorzaken werd door de onderzoekers helaas verward met de 'vermeende' forensische invalshoek m.b.t. de opsporing van strafbare feiten. Het is uitermate betreurenswaardig en spijtig dat een op zichzelf gerechtvaardigd pleidooi voor de opheldering van doodsoorzaken door een ongelukkig gekozen wijze van presenteren in de media weer om zeep werd geholpen. Wat minder sensatiezucht en een meer genuanceerde berichtgeving en relativering van de resultaten zou meer effect hebben gesorteerd.

    Indien nader onderzoek op grond van 'circumstantial evidence' wenselijk wordt geacht dient de Officier van Justitie hierover een besluit te nemen en niet de dienstdoende gemeentelijk lijkschouwer. Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet. Dit betekent dat de opsporingsinstanties (dus de Politie) alle kosten van de opsporing voor hun rekening moeten nemen (waaronder bloed- en urineonderzoek) en het OM alleen de kosten van vervolging. Dat volgt o.a. uit de wijze waarop deze instanties via de begroting aan hun geld komen om hun taken te verrichten.

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • Tot slot...

    De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.
    Als u ook een bijdrage wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via:


    forum@fomat.nl.

    En dat geldt natuurlijk ook voor de leden van Formedex...
    (die op een vernieuwde website besloten om ook maar een 'semi-anonieme' status aan te nemen)


     
    Terug naar begin van deze pagina