(Accentueringen en aanvullingen toegevoegd door de FOMAT)
Het medisch beroepsgeheim
Overzicht inhoud:
- Algemeen
- Begrippen proportionaliteit en subsidiariteit
- Omvang beroepsgeheim
- De zwijgplicht
- Verschoningsrecht
- Inzagerecht Inspectie
- Standpunt CBP
- Huiselijk geweld
- Toenemende druk op artsen
- Historisch perspectief
- De forensisch arts
- Beroepsgeheim na de dood
Algemeen
Het beroepsgeheim bestaat uit de zwijgplicht en het verschoningsrecht. De zwijgplicht geldt tegenover iedereen, het verschoningsrecht tegenover de rechter, de rechter-commissaris en de politie.Ook in contacten met de 'uitvoerende macht' van politie/justitie bewaart de arts het beroepsgeheim: waarheidsvinding is geen grond voor doorbreking ervan, niet tijdens het opsporingsonderzoek, niet tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en niet ter terechtzitting.
Het beroepsgeheim kan alleen doorbroken worden als sprake is van:
- toestemming van de patiënt óf
- een wettelijke plicht tot spreken óf
- een conflict van plichten : d.w.z. met het vrijgeven van informatie aan politie/justitie kan (mogelijk) acuut en direct gevaar voor de veiligheid of het leven van de patiënt of anderen worden voorkomen.
Ad 1: Toestemming van de patiënt.
Als de patiënt of zijn vertegenwoordiger toestemming geeft
voor het openbaar maken van zijn gegevens aan politie/justitie is de arts niet
gehouden aan zijn beroepsgeheim. Dat betekent echter niet dat hij dan verplicht
is te spreken. Wel moet hij goede redenen hebben om dan nog informatie geheim
te houden.
Ad 2: Wettelijke plicht tot spreken.
Voorbeelden zijn bepalingen in de Wet op de lijkbezorging en de Wet publieke gezondheid (voorheen: de Infectieziektenwet) die op 1 december 2008 in werking getreden is. Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.
Ad 3: Conflict van plichten .
Heeft de arts informatie over een patiënt die hij vanwege
zijn beroepsgeheim niet mag prijsgeven maar komt hierdoor een ander zwaarwegend
belang in gevaar, dan kan hij in een conflict van plichten komen. De arts staat
dan voor de keuze tussen zijn beroepsgeheim en dat andere belang.
Bij het maken van de keuze moet de arts zich de volgende vragen stellen:
- Is het mogelijk toestemming aan de patiënt te vragen?
- Kan de patiënt het probleem zelf oplossen?
- Is er een reëel risico op acuut en direct gevaar?
- Wordt het risico daadwerkelijk weggenomen door politie/justitie te informeren?
- Is er geen andere weg om de dreiging weg te nemen?
- Is er een redelijke verhouding tussen middel en doel?
Begrippen proportionaliteit en subsidiariteit
In de praktijk prevaleert medische bijstand (hulpverlening) boven het belang van politieonderzoek, opsporing en vervolging. Bedacht moet worden dat, als strafrechtelijke waarheidsvinding en medische hulpverlening om voorrang strijden, in de rechtspraak als regel het laatste belang prevaleert. Artsen, die dat lastig vinden, moeten bedenken dat opsporingsfunctionarissen voor hun informatievoorziening doorgaans niet afhankelijk zijn van hulpverleners alleen.
Bij het nemen van de beslissing om het beroepsgeheim wel of niet te doorbreken, dient de arts de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit te betrekken.
Met subsidiariteit wordt bedoeld dat de arts zich de vraag moet stellen of de veiligheid van het slachtoffer ook op minder ingrijpende wijze kan worden beschermd dan door de politie in te lichten. Zo ja, dan moet hij kiezen voor het minder ingrijpende alternatief. Als direct gevaar (d.i. een acute en levensbedreigende situatie) voor personen echter alleen kan worden opgeheven door een schending van het beroepsgeheim, dan is dat toegestaan.
Met proportionaliteit wordt bedoeld dat de schade als gevolg van de schending van het geheim in verhouding moet staan tot het voordeel, dat de schending met zich brengt. Als het inschatten van dat voordeel voor de arts in kwestie lastig is, verdient het aanbeveling vertrouwelijk overleg te plegen met een collega of met de KNMG-artseninfolijn .
Het is niet de politie, rechter(-commissaris) of officier van justitie maar de arts zelf die beslist of hij zich op het beroepsgeheim beroept of niet. Hij maakt daartoe een belangenafweging tussen het beroepsgeheim en belangen, die in het gedrang komen bij het bewaren van het geheim. Alleen in gevallen waarin de arts een kennelijk onredelijke afweging maakt, zal een rechter de beslissing van de arts overrulen.
Omvang beroepsgeheim
Het beroepsgeheim omvat alle gegevens, die een arts in de uitoefening van zijn beroep over de patiënt te weten komt, ook niet medische aangelegenheden en zaken die de arts buiten de patiënt om te weten komt.De zwijgplicht
De zwijgplicht heeft een wettelijke basis in met name het Wetboek van Strafrecht (art. 272), het Burgerlijk Wetboek (WGBO art. 7:457) en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG art. 88). De zwijgplicht van de arts kan, of beter moet, ook jegens de rechter worden volgehouden.Geen plicht tot spreken
Geeft de patiënt de arts toestemming om een verklaring af te leggen, dan verplicht dit de arts niet om te spreken.
Verschoningsrecht
Wordt een arts door een rechter als getuige opgeroepen, dan heeft de arts het recht om te weigeren een getuigenis af te leggen, als dat ertoe zou leiden dat de arts zijn zwijgplicht zou moeten doorbreken. Dit recht heet het verschoningsrecht. Het is aan de rechter om te bepalen of het beroep op het verschoningsrecht zal worden gehonoreerd (zgn. marginale toetsing). Is dat niet het geval dan zal de arts alsnog moeten spreken.Het verschoningsrecht van de arts staat niet ter beschikking van de patiënt maar is een recht dat de arts zelf mag uitoefenen ter ondersteuning van zijn zwijgplicht. De achtergrond hiervan is gelegen in het begrip 'silence significatif'. Dit betekent dat de arts, als hij alleen zou spreken als dit in het voordeel van de patiënt is, door zich te beroepen op het verschoningsrecht, de indruk zou wekken iets achter te houden.
Het verschoningsrecht van een arts heeft twee belangrijke consequenties:
Geen aangifteplicht
Ten eerste is een arts op grond van het verschoningsrecht vrijgesteld van de aangifteplicht. Dit betreft de plicht die in beginsel iedere burger in Nederland heeft om, indien men weet van een gepleegd ernstig misdrijf, hiervan aangifte te doen bij de politie. Die verplichting geldt echter niet als men zich vervolgens op grond van het verschoningsrecht zou kunnen onthouden van het afleggen van een getuigenis (art. 160 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv)).
Geen inbeslagneming dossiers
Bij personen die een verschoningsrecht hebben, mag geen inbeslagneming van "brieven of andere geschriften" waarop het beroepsgeheim rust plaatsvinden. Dat betekent onder meer dat een medisch dossier zich niet leent voor inbeslagneming door politie, openbaar ministerie of rechter commissaris, tenzij degene die het beroepsgeheim in acht moet nemen daarvoor toestemming geeft (en dus zijn zwijgplicht doorbreekt) (art. 98 Sv). Een hulpverlener mag daarbij zelfs weigeren mee te werken aan doorzoeking en die weigering dient volgens de Hoge Raad door politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de weigeraar onjuist is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de doorzoeking zich richt op persoonlijke bezittingen van de hulpverlener.
De Hoge Raad heeft echter bepaald, dat inbeslagneming wél mag plaatsvinden in zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt zo groot kan zijn, dat schending van het beroepsgeheim gerechtvaardigd kan zijn. Wannéér er echter sprake is van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden is door de Hoge Raad niet nader toegelicht. Dat is dan ook met enige regelmaat een punt van discussie.
Punt van aandacht is nog dat het verbod op inbeslagneming volgens de letter van de wet alleen van toepassing is op 'brieven en andere geschriften' (art. 98 Sv). Dat zou betekenen dat andere 'fysieke' patiëntgebonden materialen, zoals röntgenfoto's en resten van afgenomen bloed, wel in beslag genomen zouden mogen worden.
Aangenomen moet echter worden dat de strekking van de wet zodanig is dat het beslagverbod geldt voor alle soorten 'gegevensdragers' (scans, magneetbanden, röntgenfoto's etc.). Of het beslagverbod zich ook zou uitstrekken over bloedmonsters, stoffelijke overschotten etc. is niet duidelijk.
Ter toelichting voor artsen werkzaam in ziekenhuizen en laboratoria:
De uitslagen (resultaten) van bloedonderzoek of de schriftelijke bevindingen van radiologisch- en/of laboratorium onderzoek maken wél onderdeel uit van het medisch dossier en vallen daarmee onder het verschoningsrecht c.q. het beroepsgeheim. Het stelsel van de wet brengt met zich mee dat het belang van het beroepsgeheim prevaleert boven de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Alhoewel die regel helder lijkt, kunnen zich in de praktijk situaties voordoen waarin de arts in een dilemma komt te verkeren en zijn zwijgplicht zou willen doorbreken.
Inzagerecht Inspectie
Zonder de voorafgaande toestemming van de patiënt bestond tot 29 mei 2010 geen wettelijke grondslag die de Inspectie de mogelijkheid verschafte tot inzage in het medisch dossier zonder toestemming van de patiënt. Aanvankelijk stuitte deze doorbreking van het beroepsgeheim op veel politiek verzet.Op 20 mei 2008 werd door de Minister in een Nota van wijziging op het oorspronkelijke wetsvoorstel het volgende voorgesteld:
"Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding van het dossier verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de betrokken ambtenaar."
En zo lichtte de Minister toe:
"Deze aanvulling houdt in dat de inspecteur van de IGZ die bij de inzage in dossiers zonder toestemming van de patiënt stuit op andere overtredingen dan die waarop zijn toezicht is gericht, verplicht is tot geheimhouding daarvan. Die plicht tot geheimhouding strekt zich tot dezelfde informatie uit als waarop de geheimhoudingsverplichting van de medisch beroepsbeoefenaar betrekking heeft."
De wetgeving om, in het kader van toezicht door de Inspectie, inzage mogelijk te maken werd bij stemming op 22 mei 2008 door de Tweede Kamer aangenomen (Handelingen 87-6156).
Bij de behandeling in de Eerste Kamer schreef de Minister de volgende toelichting over de uitvoering:
- Toelichting Inzagerecht Inspectie (pdf)
(zie pag. 3 en 4)
- Samenwerking tusen Inspectie en Openbaar Ministerie (pdf)
- Aanvulling op protocol tussen Inspectie en OM (pdf)
- Brief Minister over Inzagerecht Inspectie (pdf)
- Brief Eerste Kamer naar minister (pdf)
- Antwoord Minister 26 maart 2010 (zie pagina 4)
- Aanvullende brief Minister 17 mei 2010 (pdf)
- Inzagerecht Inspectie (pdf)
(zie art. 7, lid 3, art. 15 en art. 23)
Van de zijde van het OM verscheen met intwerkingtreding op 1 november 2010 de volgende:
-
Aanwijzing feitenonderzoek/strafrechtelijk onderzoek en vervolging in medische zaken
Géén strafrechtelijke immuniteit door 'Velig melden'
Standpunt CBP
Op 15 mei 2007 schreef het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) een brief naar de Minister van Jeugd en Gezin over het gebruik van het medisch beroepsgeheim en het conflict van plichten bij gevallen van kindermishandeling:Het CBP komt tot de stellingname dat bij vermoedens van kindermishandeling het voor alle betrokken beroepsgroepen duidelijk moet worden dat informatie niet alleen mag, maar zelfs moet worden uitgewisseld. De Wet bescherming persoonsgegevens bevat geen beletselen die ingrijpen ten behoeve van kinderen verhinderen. Toch zijn hulpverleners vaak ten onrechte bang om de zwijgplicht te overtreden. De consequenties van onterecht zwijgen zijn groter dan de consequenties van onterecht spreken!
Hierbij moet ook het volgende worden bedacht:
"Het recht op geheimhouding van medische gegevens is een basaal recht van elke burger. Maar het kan uiteraard niet zo zijn dat het medisch beroepsgeheim de fundamenten van onze samenleving bedreigt. Het beroepsgeheim kan geen reden zijn om kindermishandeling onbesproken te laten hoewel het belang van kind hierom vraagt, om de arts die gerechtigd is om levensbeëindigend te handelen niet te controleren of de medisch hulpverlener die ernstig strafbare feiten pleegt vrij spel te geven. Wanneer het medisch beroepsgeheim op deze wijze zou worden gebruikt, zou het zich tegen zichzelf kunnen keren en de toegankelijkheid van de zorg kunnen belemmeren."
Bron: W.L.J.M. Duijst, Boeven in het ziekenhuis (diss.).
Den Haag: SDU uitgevers, 2007 (2e herziene druk).
Huiselijk geweld
Binnen beroepsgroepen die met het verschijnsel huiselijk geweld of kindermishandeling in aanraking komen, bestaat behoefte aan kennis over de mogelijkheden om informatie over huiselijk geweld met anderen te delen. Huisartsen, hulpverleners, medewerkers van consultatiebureaus, ziekenhuizen en thuiszorginstellingen durven vaak geen persoonlijke gegevens van hun cliënten uit te wisselen uit angst de geheimhoudplicht te doorbreken. Toch biedt de Nederlandse wet- en regelgeving wel ruimte om het belang van de cliënt af te wegen tegen het belang van geheimhouding.Op 25 juni 2007 heeft het Ministerie van Justitie een 'Wegwijzer Huiselijk geweld en beroepsgeheim' gepubliceerd, die bedoeld is voor beroepskrachten die te maken krijgen met signalen van kindermishandeling. Deze handreiking is toegestuurd aan tal van organisaties en beroepsgroepen waaronder verloskundigen, (huis)artsen, maatschappelijk werk, bureaus jeugdzorg, onderwijs, Raad voor de Kinderbescherming, vrouwenopvang, politie en thuiszorg. Doel van deze publicatie is te voorkomen dat beroepskrachten onnodig terughoudend zijn bij de uitwisseling van informatie.
- Folder MvJ: Huiselijk geweld en beroepsgeheim (pdf)
- Wetsvoorstel: Meldcode huiselijk geweld eind 2010 verplicht
- 14 januari 2011: Omvang van huiselijk geweld in Nederland
Toenemende druk op artsen
Het beroepsgeheim van artsen komt steeds meer onder druk te staan. Dat stelde professor Kastelein, advocaat en bijzonder hoogleraar Gezondheidsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 1 maart 2008.Abonnees van het NTvG kunnen de volledige (nederlandse) tekst van deze publicatie inzien via de: Artsen en ziekenhuizen komen volgens haar steeds vaker voor de rechter te staan in zaken die met hun beroepsgeheim te maken hebben. Sinds 2002 speelden er 124 zaken waarbij het Openbaar Ministerie (OM) medische dossiers had gevorderd.
Kastelein noemt als voorbeeld gevallen van vermoedelijke kindermishandeling. Artsen staan bij die zaken volgens de hoogleraar niet te springen om het OM medische informatie over het kind te geven. Aan de ene kant omdat ze bang zijn dat het kind hierdoor nog meer in de problemen zou kunnen komen. Aan de andere kant omdat ouders steeds vaker de arts voor de rechter slepen.
"De recente ontwikkelingen vereisen alertheid bij artsen en hun organisaties. Het is in beginsel niet toegestaan om derden gegevens te verstrekken zonder toestemming van de patiënt. Dit geldt ook als de patiënt een kind is, overleden is of 'slechts' op papier bestaat, zoals bij het EPD. Het gaat uiteindelijk bij het beroepsgeheim om het geheim van de patiënt en het recht van de arts om zich op die grond te verschonen."
Ook komt het volgens haar vaker voor dat de medische dossiers van overledenen worden opgeëist door nabestaanden. Zij willen op die manier boven water halen dat er bijvoorbeeld tijdens de behandeling fouten zijn gemaakt. Het kan ook zijn dat nabestaanden op basis van het dossier willen aantonen dat de overledene vlak voor zijn of haar dood niet meer in staat was een testament te wijzigen.
Historisch perspectief
In combinatie met het beroepsgeheim leidde de opgave van de doodsoorzaak tot een merkwaardige ontwikkeling. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog kwam het tot de volgende beschouwing bij de behandeling van een wetswijziging ter regeling van de mogelijkheid tot 'lijkverbranding' (crematie).Let op. De volgende tekst is inmiddels zestig jaar oud (!)
(accentuering toegevoegd door de FOMAT)
"Ingevolge artikel 5 van de wet van 1 Juni 1865, Staatsblad no. 60, regelende de uitoefening der geneeskunst, geven de geneeskundigen bij het overlijden van elk hunner lijders ten behoeve van de ambtenaren van de burgerlijke stand een verklaring van dit overlijden af, en doen zij daarbij naar hun overtuiging, doch met inachtneming van de door hen afgelegde eed of belofte van geheimhouding, zo nauwkeurig mogelijk opgave van de oorzaak van de dood, na zich door
persoonlijke schouwing overtuigd te hebben van het overlijden. Tussen de eisen van verklaring naar overtuiging en van geheimhouding, welke dit artikel stelt, bestaat een zekere tegenstrijdigheid. In de praktijk laten de geneeskundigen veelal hun beroepsgeheim
praevaleren. Wanneer de doodsoorzaak een zodanige is, dat de arts die meent te moeten rekenen tot hetgeen hem als geheim is bekend geworden, wordt een verklaring afgegeven, die zoal niet bepaaldelijk in strijd met de waarheid, dan toch dikwijls door haar vorm er onschuldiger uitziet dan in overeenstemming met de werkelijkheid is. Er worden b.v. medisch niets zeggende termen als "debilitas cordis", "acute anaemie" enz. gebruikt. Hiervan kan men de geneeskundige geen enkel verwijt maken; integendeel worden hier de wettelijke eisen van verklaring naar overtuiging en van geheimhouding zo goed mogelijk verenigd. Men moet deze z.g. verklaring A ook niet verwarren met de verklaring B, welke uitsluitend voor de statistiek bestemd is, overigens geheim blijft en door de artsen dan ook geheel naar waarheid en nauwkeurig pleegt te worden ingevuld. Intussen kan de hierboven geschetste gang van zaken met betrekking tot de verklaring A niet bevredigend worden genoemd. De ondergetekenden zijn volkomen doordrongen van de grote maatschappelijke waarde van het medische beroepsgeheim. Iedere verzwakking van het vertrouwen in dat geheim zou een onberekenbare schade aan de volksgezondheid toebrengen. Evenwel wordt ook het belang van het geneeskundige beroepsgeheim niet gebaat door de aflegging van minder juiste verklaringen van de bovengenoemde soort, welke worden ingegeven door een innerlijk tegenstrijdige wetstekst. Er bestaat dan ook op het gebied van de verklaringen van overlijden, evenals op verscheidene andere raakvlakken van overheid en arts, een "probleem van het medische beroepsgeheim", dat op een
nieuwe en stelselmatige bestudering wachtte.
Op verzoek van het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst hebben de beide laatstgenoemde ondergetekenden bij beschikking van 22 September 1949,
zesde afdeling, no. 2376, ingesteld een commissie van overleg betreffende enige aspecten van het medische beroepsgeheim, voor zover de justitie en de politie daarbij betrokken zijn."
Bron: Handelingen der Staten-Generaal. Bijlagen 1951-1952. Nummer 2410(3).
Pas sinds 1 januari 2010 is in de Wet op de lijkbezorging een strafbepaling opgenomen voor artsen bij 'een verzuim' om de B-verklaring naar het CBS te versturen. Een koppeling van de afgifte van het verlof tot begraving/crematie door de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente van overlijden met het verplicht overleg over de doodsoorzaak met de gemeentelijk lijkschouwer bij overlijden van minderjarigen (NODO-procedure) werd in de Tweede Kamer verworpen.
In 2010 werd door het CBS in 2.265 (!) gevallen van overlijden van inwoners van Nederland door het CBS geen bruikbare informatie over de oorzaak van dit overlijden ontvangen (ICD-code R99).
De forensisch arts
Voor hulpverleners in de curatieve zorg gelden de gewone regels van het beroepsgeheim. Die regels zijn niet zonder meer van toepassing in de niet-curatieve sector.Forensisch artsen en penitentiair geneeskundigen zijn soms behandelaar, soms voeren zij een opdracht uit voor een derde. In het laatste geval doorbreekt de rapportageplicht in principe de zwijgplicht tegenover deze derde (opdrachtgever).
De forensisch arts vertelt de patiënt wat het doel van het onderzoek is en aan wie hij rapporteert. Alleen met toestemming van de patiënt kan informatie van de behandelende sector worden verkregen en/of doorgegeven.
Behandelaar.
De forensisch arts kan een aantal rollen vervullen. Het beroepsgeheim is voor elk van de rollen verschillend. In de rol van behandelaar geldt het beroepsgeheim in volle omvang, net als voor behandelend artsen. Dat betekent dat het beroepsgeheim geldt tegenover iedereen, inclusief politie en justitie, uiteraard met inachtneming van de eerder genoemde uitzonderingen.
Opm. FOMATEr blijkt, met name bij politiefunctionarissen, nogal eens onbegrip en irritatie te ontstaan over de rol die de forensisch arts moet vervullen. Het is een misverstand dat deze arts geen zwijgplicht en ook geen verschoningsrecht zou hebben. Als de medische werkzaamheden worden verricht in opdracht van (en ook betaald worden door) een wettelijke gezagsdrager of uitvoerend bestuursorgaan betekent dit niet dat de forensisch arts de wettelijke plicht zou hebben om alle informatie ook te delen met de opsporingsinstanties. Ook als de forensisch arts de werkzaamheden als ambtenaar (met een ambtseed) uitvoert betekent dat niet dat daarmee de artseneed opzij wordt geschoven of ineens niet meer zou gelden. Met het aanvaarden en uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van derden wordt de artsenbul niet verscheurd of in de open haard verbrand.
In dit verband dient ook te worden bedacht dat bepalingen in wetgeving, bevelen van de OvJ of rechterlijke uitspraken niet tegelijkertijd wettelijke voorschriften of bevelen zijn die artsen kunnen verplichten of voorschrijven om medewerking bij de tenuitvoerlegging hiervan te gaan verlenen. De forensisch arts is geen buitengewoon opsporingsambtenaar met een geweldsinstructie. Zie hierover:
Medisch adviseur.
Verricht de forensisch arts als medisch adviseur medisch onderzoek in opdracht van politie/justitie, dan geeft hij antwoord op vooraf gestelde gerichte vragen; hij verstrekt alleen relevante medische informatie en doet dat zo beperkt mogelijk. Hij moet aan betrokkene meedelen wat het doel van zijn onderzoek is en aan wie hij rapporteert. Deze kan dan zelf beslissen of hij meewerkt aan het onderzoek en welke informatie hij prijsgeeft (tenzij het gaat om een wettelijke verplichting). Met toestemming van betrokkene kan informatie worden opgevraagd bij de behandelend arts.
Opm. FOMATVolgens artikel 446 lid 5 van de WGBO is er in het geval van medische advisering geen sprake van een behandelingsovereenkomst.
Gemeentelijk lijkschouwer.
In de rol van gemeentelijk lijkschouwer kan de arts een verzoek krijgen van de behandelend arts of van justitie. Bij (het vermoeden van) een niet-natuurlijke dood moet hij rapporteren aan de officier van justitie. Alleen informatie, die relevant is voor het beoordelen van de aard van het overlijden, geeft hij door aan justitie. Medische of andere informatie, die geen relatie heeft met het overlijden, dient de lijkschouwer voor zich te houden. De lijkschouwer mag bij een niet-natuurlijke dood aan niemand inlichtingen verschaffen, dus ook niet aan de huisarts of familieleden. Eenieder, die informatie wenst, moet worden verwezen naar de officier van justitie. Bij een natuurlijke dood bestaat geen wettelijke plicht tot het informeren van politie/justitie.
Onduidelijk is hoever de informatieplicht gaat van de behandelend arts aan de lijkschouwer als er sprake is van (twijfel aan) een natuurlijke dood. Wettelijk is hierover niets vastgelegd. Een behandelend arts moet een forensisch arts wel de gelegenheid geven om een overlijden te kunnen onderzoeken bij de wettelijk voorgeschreven lijkschouw, om daarbij zowel de aard van overlijden als de doodsoorzaak te kunnen bepalen. Soms zijn medische gegevens hiervoor onontbeerlijk. Gebruikelijk is dat de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer zoveel mogelijk relevante informatie verstrekt en dat de gemeentelijk lijkschouwer alleen de informatie, die verband houdt met het overlijden, in zijn rapport aan de officier van justitie vermeldt en de doodsoorzaak opgeeft op het formulier voor het CBS.Op 9 juni 2009 werd door de Eerste Kamer wetgeving aangenomen over de wettelijke verplichting om bij overlijden van minderjarigen altijd de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.
Het is thans volledig onduidelijk of de NODO-procedure alsnog in 2012 wordt ingevoerd. Met de wetgeving hierover (nog niet in werking getreden) ontstaat de wettelijke plicht om aan de gemeentelijk lijkschouwer op diens verzoek terstond de informatie te verstrekken, dan wel inzage in of afschrift van bescheiden over de overleden minderjarige, die hij noodzakelijk acht in het kader van het nader onderzoek. De lijkschouwer gebruikt de informatie uitsluitend met het doel de doodsoorzaak vast te stellen. Aldus is dit vastgelegd in het vooralsnog niet werking getreden artikel 10a, derde lid, van de Wet op de lijkbezorging.
Opm. FOMAT.
In artikel 80 sub 8 van de Wlb. wordt het verhinderen of belemmeren van een lijkschouwing dan wel een poging daartoe strafbaar gesteld. De gemeentelijk lijkschouwer, die geen behandelend arts is, heeft als arts ook een beroepsgeheim. Het verstrekken van onvoldoende informatie of een weigering voldoende informatie te verstrekken lijkt daarmee onder deze strafbaarstelling te vallen. In dit verband lijkt ook de volgende bepaling van belang te zijn:
Penitentiair geneeskundige.
De penitentiair geneeskundige heeft de rol van behandelaar en heeft derhalve een beroepsgeheim tegenover iedereen, inclusief politie/justitie. Als de gevangenisleiding of politie/justitie de gevangenisarts verzoekt om een advies te geven, dan geldt hetgeen hierboven vermeld staat onder Medisch adviseur.
Beroepsgeheim na de dood
Het beroepsgeheim reikt over het graf heen.
- Geen informatie aan verzekeringsmaatschappijen over doodsoorzaak
-
Reglement Toetsingscommissie Levensverzekeringen sinds 1 mei 2005
(De procedure bij vermoeden van fraude)
De inhoud van de B-verklaring valt onder het beroepsgeheim. De informatie die wordt verstrekt door de arts mag uitsluitend worden gebruikt voor statistische doeleinden en dient niet, zoals sommige artsen abusievelijk nogal eens veronderstellen, ter informatie aan Justitie. De ambtenaar van de burgerlijke stand ontvangt deze B-verklaring in een gesloten envelop die moet worden doorgezonden aan de medisch ambtenaar van het CBS. Ook aan de Officier van Justitie worden door de gemeentelijk lijkschouwer bij een natuurlijk overlijden in principe geen inlichtingen over de doodsoorzaak verstrekt.
Na de dood van de patiënt mag de arts het geheim alleen schenden:
- als hij mag veronderstellen dat de overledene, als hij/zij nog in leven was geweest, daarvoor toestemming zou hebben gegeven (‘veronderstelde toestemming’) óf
- als er – na belangenafweging - zwaarwegende argumenten zijn voor schending van het geheim.
Het beroepsgeheim eindigt niet bij het overlijden van de patiënt. Toch kan politie/justitie belang hebben bij openbaarmaking van gegevens van de patiënt. In dat geval kan de constructie van de veronderstelde toestemming oplossing bieden.
Hierbij kunnen de volgende vragen behulpzaam zijn:
- hoe groot is het belang van de overledene (goede naam, privacy)?
- hoe groot is het belang van politie/justitie?
- is het openbaren van medische gegevens aan politie/justitie de enige mogelijkheid om het belang te dienen?
- om wat voor belang gaat het (medische fout, opsporing moordenaar)?
- wat voor gegevens worden gevraagd (meer of minder delicate)?
-
28 oktober 2010: Beroepsgeheim na overlijden ook voor nabestaanden (MC)
(Uitspraak Tuchtcollege) - December 2010: Landelijk sterfgevallenonderzoek CBS gestart (NVZ)
Sinds 1 januari 2010 is in de Wet op de lijkbezorging (Wlb) een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij overlijden en doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.
Tot slot:
De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.Als u ook een bijdrage wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via:
forum@fomat.nl.
De volledige tekst van de handreiking van de KNMG is te raadplegen via:
Overzicht KNMG publicaties vanaf 1998