Bron: De website van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
(met enkele aanvullingen door de FOMAT)

De B-doodsoorzaak­verklaring

Overzicht inhoud:
  1. Inleiding
    1. Opheldering doodsoorzaak
  2. Postmortaal onderzoek
  3. Verklaring van overlijden
  4. De cijfers
  5. Algemene informatie
  6. Het formulier
  7. Het invullen van de B-verklaring
  1. Vragen, opmerkingen, aanvullingen?

Inleiding

De doodsoorzakenstatistiek wordt samengesteld op basis van de opgegeven doodsoorzaak van iedere overledene die als inwoner van Nederland in het bevolkingsregister was ingeschreven (ook als het overlijden buiten Nederland plaatsvond). Door de arts die de lijkschouw verricht wordt hiervoor een doodsoorzaakverklaring ingevuld. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. Deze verklaring wordt via de gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden naar de medisch ambtenaar van het CBS gestuurd. Opgave is verplicht op grond van:

Artikel 12a van de Wet op de lijkbezorging.
"Tegelijk met de afgifte der verklaring van overlijden, bedoeld in artikel 12, doet de arts opgave van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek".

Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij overlijden en doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.

Opmerking van de FOMAT:
Voor personen met een niet Nederlandse nationaliteit die in Nederland overlijden worden de formaliteiten (lijkschouw, verklaring van overlijden, aangifte en akte van overlijden, evt. vrijgave door de OvJ, verlof tot begraving/crematie, laissez-passer, etc.) afgewikkeld in de gemeente van overlijden.
Deze overlijdensgevallen worden echter door het CBS niet opgenomen in de Nederlandse doodsoorzakenstatistiek, maar in de statistiek van het betreffende buitenland.

De opgave van de doodsoorzaak staat bekend als de zgn. B-verklaring. De wetgever gaat er van uit dat de 'behandelend arts' die de lijkschouw verricht op grond van eigen en enig oordeel tot een betrouwbare inschatting zal kunnen komen over de aard van het overlijden (natuurlijk of niet-natuurlijk) en de doodsoorzaak van zijn eigen patiënt.
Nederland kent tot op heden geen enkel wettelijk voorschrift om bij een natuurlijk overlijden de doodsoorzaak door een sectie (obductie) vast te stellen (gebrek aan obductie-capaciteit, respect voor privacy). Dit vloeit voort uit de bepalingen in artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De uitzonderingen hierop, die in nationale wetgeving kunnen worden vastgelegd, staan omschreven in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM. In Nederland heeft de wetgever deze uitzonderingen vastgelegd in artikel 73 van de Wet op de lijkbezorging. Ook op grond van de veelbesproken NODO-wetgeving ontstaat géén wettelijke verplichting tot het ophelderen van de doodsoorzaak. Er is immers sprake van een natuurlijk overlijden, anders zou (ook bij twijfel) een artikel 10 verklaring afgegeven moeten worden door de gemeentelijk lijkschouwer.
Dat wil niet zeggen dat in sommige gevallen van overlijden het vaststellen van de exacte doodsoorzaak toch zeer aanbevelenswaardig kan zijn.
¥¥¥
Opheldering van doodsoorzaken
Uit de Memorie van Toelichting, op pagina 22, bij de laatste wetswijziging over de strafbaarstelling van een 'verzuim' bij het invullen van de verklaring over de doodsoorzaak (zoals geregeld in art. 12a van de Wlb.):

"Voorts wordt voorgesteld ook artikel 12a op te nemen in artikel 81. Het is van algemeen belang dat de gegevens ten behoeve van de statistiek accuraat worden ingevuld en bij het Centraal bureau voor de Statistiek belanden. Ook hier geldt het opnemen van een strafbepaling als een logisch sequeel van de bepaling zelf; tot op heden was dat evenwel niet gebeurd."

Opm. FOMAT:
Het ter beschikking stellen van meer bevoegdheden of middelen zoals bloedonderzoek, testmateriaal, faciliteiten in mortuaria, het (laten) maken van röntgenfoto's, etc., om te komen tot een meer gefundeerde opheldering van doodsoorzaken, die nu eenmaal niet altijd zo duidelijk zijn als men wil doen geloven, bleef echter volledig achterwege. De wetgever kwam niet verder als de nu sinds 1 januari 2010 bestaande verplichting om 'een formuliertje voor de statistiek' in te vullen.
Niet verwonderlijk vullen de meeste artsen hier maar één of andere diagnose in en laten daarna het lijk 'veilig' en zonder al te veel vragen van anderen in de eeuwigheid verdwijnen.
De ziektekostenverzekeraars zijn niet erg geinterresseerd, dode verzekerden betalen geen premies meer.....
Bij een natuurlijke dood is opheldering van de doodsoorzaak geen zaak voor de overheid maar altijd afhankelijk van de toestemming van de nabestaanden. Zo is dat nu eenmaal vastgelegd in artikel 72 van de Wet op de lijkbezorging. Bij onduidelijkheid of twijfel aan de doodsoorzaak is de mogelijkheid tot nader onderzoek geheel en alleen ter beoordeling van de de Officier van Justitie, de Politie draait op voor de kosten (bloedafname, testmateriaal). De OvJ wil alleen maar weten of er sprake is van strafbare feiten; of iemand doodgaat aan een herseninfarct, hartfalen, een thrombose of een erfelijke aandoening is niet van belang voor het OM.
De reden om nu in de wet op te nemen dat de gemeentelijk lijkschouwer, die nog geen vijf procent van de overledenen te zien krijgt, ineens per 1 januari 2013 moet gaan voldoen aan belachelijk kostbare registratie-eisen, zonder enige uitbreiding van bevoegdheden of mogelijkheden om nader onderzoek te verrichten, is volledig onduidelijk. De medische beroepsgroepen zitten bepaald niet te wachten op allerlei 'pottenkijkers' bij het bepalen van doodsoorzaken. Zolang elke arts naar eigen inzicht en beoordeling, en onder het motto van het beroepsgeheim, 'zelf' kan bepalen dat er min of meer altijd sprake is van 'lege artis' medisch handelen, en dat er dus sprake is van een 'natuurlijke aard van het overlijden', zal er niet veel veranderen. De enorme weerstanden die worden opgeworpen bij de invoering van de NODO-procedure, die nota bene juist gaat over het ophelderen van doodsoorzaken, zijn hiervoor illustratief en spreken voor zich. Indien de kinderartsen, om wat voor reden (of excuus?) dan ook, géén overleg plegen met de gemeentelijk lijkschouwer kan de NODO-procedure niet eens worden gestart en zal de invoering daarvan een volledig overbodige en nodeloze excercitie blijken te zijn.
Ook Burgemeester en Wethouders van de gemeente van overlijden (en dus niet noodzakelijk de woongemeente van de overledene) die voor de kosten van de gemeentelijk lijkschouwer moeten opdraaien - ook dode burgers betalen geen belasting meer - zitten daar bepaald niet op te wachten. Een gemeentebestuur zou uiterst vreemd opkijken als de gemeentelijk lijkschouwer, in het kader van een lijkschouw ter opheldering van de doodsoorzaak, een röntgenfoto zou hebben laten maken op kosten van de gemeente van overlijden. In de wet is echter geenszins omschreven of afgebakend wat de lijkschouw wel of niet zou moeten omvatten. De fraaie woorden in de bovenstaande Memorie van Toelichting over 'het algemeen belang' van de opheldering van doodsoorzaken blijken in de praktijk alleen maar holle frases te zijn. Van de politiek is weinig belangstelling te verwachten - dode stemgerechtigden ontvangen geen oproepen van het stembureau meer...., en plegen hun stem niet meer te verheffen.....
Uitspraken in januari 2011 van een Officier van Justitie in Amsterdam over postmortale bepalingen bij de opheldering van doodsoorzaken boden mogelijk meer perspectief, maar lijken intussen weer in de vergetelheid van de grachtengordel te zijn opgelost.

De Minister van Justitie bevestigde op 19 mei 2011 nog eens de volledig afwezige interesse van de politiek in antwoord op Kamervragen:
"Het is voor mij niet mogelijk om vast te stellen hoe vaak ten onrechte een verklaring van overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is afgegeven. Welk aantal eventueel had dienen te leiden tot een strafrechtelijk onderzoek, kan ik dan ook niet vaststellen. Mijn ambtgenote van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft mij laten weten dat er voorlopig geen onderzoek zal worden gedaan naar de omgang met verdachte sterfgevallen door artsen."
Als we nu spreken over 'dooddoeners' is deze uitspraak van de Minister daar wel een uiterst fraai voorbeeld van.....

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Postmortaal onderzoek

    De mogelijkheid om postmortaal onderzoek uit te voeren is geregeld in artikel 72 van de Wet op de lijkbezorging. Bij gebreke van toestemming van de overledene kan daarvoor in de plaats treden die van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel dan wel, bij ontstentenis of onbereikbaarheid van deze, van de naaste onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, of, wanneer ook deze niet bereikbaar zijn, van de aanwezige meerderjarige erfgenamen of anders van degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen. Hierbij is, volkomen vergelijkbaar met de bepalingen omtrent de orgaandonatie sprake van een toestemmingsvereiste van de nabestaanden.

    In verband hiermee dient opgemerkt te worden dat de kosten van een obductie geen verstrekking vormen onder de Zorgverzekeringswet. In geval van overlijden buiten het ziekenhuis moeten de kosten meestal worden betaald door de nabestaanden. Een gerechtelijke obductie in het kader van een opsporingsonderzoek, op last van de Officier van Justitie, betekent dat de politie en het OM voor de betaling (vervoer van en naar NFI, opslag, kosten van onderzoek, etc.) verantwoordelijk zijn. Bij de voorgestelde NODO-procedure, die overigens alleen van toepassing zal zijn bij het zgn. onverklaard overlijden, zullen de kosten worden vergoed door de rijksoverheid. Overigens bestaat, volgens artikel 73 van de Wet op de lijkbezorging ook de mogelijkheid dat ter opheldering van de doodsoorzaak een obductie plaats kan vinden op verzoek van de betrokken hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid of op verzoek van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid. Daarbij vervalt ook het toestemmingsvereiste van de nabestaanden en komen de kosten in principe ten laste van de rijksoverheid. Het is opmerkelijk en merkwaardig dat bij het ontwerp van het NODO-protocol deze beide mogelijkheden volledig buiten beschouwing zijn gebleven.

    De aard van het overlijden en de doodsoorzaak, en dat zijn twee verschillende zaken (!), zijn zelden alleen af te leiden uit de verschijnselen die aan het stoffelijk overschot kunnen worden waargenomen. Vaak is hiervoor veel uitgebreidere informatie nodig (o.a. inhoud van het medisch dossier, kennis van de omstandigheden en achtergronden rondom het overlijden, levensgewoonten, etc).

    De doodsoorzakenstatistiek van het CBS heeft helaas een beperkte betrouwbaarheid. De gegevens berusten nu eenmaal noodgedwongen op de (vaak onvolledige) gegevens die moeten worden aangeleverd door de behandelend arts. In gevallen waarin geen gegevens worden ontvangen worden deze overlijdensgevallen nog wel als zodanig geregistreerd door de koppeling met de gegevens in de GBA (Gemeentelijke Basis Administratie). De gemeente van overlijden, waar het Verlof tot lijkbezorging moet worden afgegeven, is niet noodzakelijk ook de gemeente van inschrijving in de GBA. De medisch ambtenaar van het CBS zal dan alsnog trachten, via het sturen van een herinnening naar de gemeente van overlijden, de doodsoorzaak te achterhalen. Indien het dan nog niet lukt om de gegevens te verkrijgen wordt in de statistiek de ICD-code R99 als onbekende oorzaak opgenomen. De gegevens worden uitsluitend gebruikt voor statistische doeleinden en niet voor informatie aan justitiele autoriteiten. De cijfers dienen ter onderbouwing van (politieke) beslissingen op het terrein van de Volksgezondheid en vormen de basis voor vergelijkend internationaal onderzoek.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Verklaring van overlijden

    De A-verklaring van natuurlijk overlijden berust geheel op het 'ex juvantibus' (bij uitsluiting) vaststellen of er sprake zou kunnen zijn van een niet-natuurlijke dood of twijfel aan een natuurlijke dood. Als er geen redenen of argumenten zijn om een niet-natuurlijk overlijden aan te nemen is er volgens de huidige systematiek van de wetgeving automatisch sprake van een natuurlijke dood, door welke doodsoorzaak dan ook.

    Van een natuurlijke dood is sprake indien:
    • een duidelijk omschreven ziektebeeld is/werd vastgesteld
    • dit ziektebeeld door een bevoegd arts 'lege artis' werd behandeld
    • het overlijden ten gevolge van dit ziektebeeld plausibel kan worden verklaard
    Indien er geen overtuiging bestaat van een natuurlijk overlijden en/of bij twijfel hieraan dient de lijkschouw achterwege te blijven en mag geen A- verklaring van overlijden worden afgegeven en dient onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. In dat geval vult de gemeentelijk lijkschouwer de B-verklaring in.

    In de Nederlandse situatie legt de wetgever de bijzondere verantwoordelijkheid van de beoordeling of er sprake is van 'lege artis' medisch handelen bij de behandelend arts zelf (die de lijkschouw verricht) zonder dat een tweede onafhankelijk arts hierover een (mede)oordeel uitspreekt. Wellicht ten overvloede wordt er op gewezen dat ook het moedwillig verstrekken van onjuiste gegevens omtrent de aard van het overlijden (natuurlijke of niet-natuurlijke dood) en/of de doodsoorzaak strafbaar is gesteld: De NODO-procedure
    Op 9 juni 2009 werd door de Eerste Kamer wetgeving aangenomen over de wettelijke verplichting om bij overlijden van minderjarigen altijd de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen ter opheldering van de doodsoorzaak in gevallen van onverklaard overlijden. Hiertoe zal een register worden aangelegd waarin alle gevallen van overlijden van minderjarigen zullen worden opgenomen. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    In de Memorie van Toelichting pag.15 bij het wetsontwerp ter wijziging van de Wet op de lijkbezorging staat hierover het volgende:
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "Het eerste lid.(van artikel 10a) regelt dat, óók indien de behandelend arts de overtuiging heeft dat de dood van een minderjarige is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak, hij hierover overleg voert met de gemeentelijke lijkschouwer alvorens de verklaring van overlijden af te geven. Op deze wijze is er standaard contact tussen de behandelend arts en de gemeentelijke lijkschouwer, en is bij de lijkschouwer bekend dat er een minderjarige is overleden. Dit past in het streven naar een compleet beeld van overleden minderjarigen. Zonder dit contact zou dit slechts via de statistieken bekend worden. Bovendien kan de arts in dat gesprek aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging is gekomen en kan hij desgewenst zijn overtuiging toetsen, zodat hij daarin wordt gesterkt dan wel tot het besluit komt dat het beter is de zaak over te dragen aan de gemeentelijke lijkschouwer. Te allen tijde blijft het de eigen beslissing van de behandelend arts of hij de verklaring van overlijden afgeeft."

    Het is thans volledig onduidelijk of de NODO-procedure alsnog in 2011 wordt ingevoerd. Het spreekt vanzelf dat de FOMAT de ontwikkelingen nauwgezet volgt: De NODO-wetgeving is nog niet van kracht.

    De inhoud van de B-verklaring valt overigens onder het medisch beroepsgeheim. De ambtenaar van de burgerlijke stand ontvangt deze B-verklaring in een gesloten envelop die moet worden doorgezonden aan het CBS. Ook aan de Officier van Justitie worden door de gemeentelijk lijkschouwer bij een natuurlijk overlijden in principe geen inlichtingen over de doodsoorzaak verstrekt.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De cijfers

    De doodsoorzaakgegevens worden door het CBS gebruikt voor het samenstellen van voor iedereen toegankelijke statistieken. Deze gegevens staan gepubliceerd op StatLine, de gratis toegankelijke internet-databank van het CBS. Het CBS publiceert statistieken over natuurlijke doodsoorzaken en niet-natuurlijke doodsoorzaken bij overledenen. Daarnaast wordt er een aparte statistiek over doodsoorzaken bij doodgeboren kinderen gepubliceerd.

     In StatLine bevindt zich onder meer een overzicht van de belangrijkste primaire doodsoorzaken naar geslacht en leeftijd. Tevens is een apart overzicht te vinden over de niet-natuurlijke doodsoorzaken.

    Daarnaast geeft het CBS de mogelijkheid aan wetenschappelijke onderzoekers om – onder zeer strikte voorwaarden – op basis van de door het CBS verzamelde gegevens wetenschappelijk onderzoek te doen.

    De vermelde doodsoorzaken worden vertaald in coderingen volgens de ICD-10 (International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems) van de WHO (World Health Organization).
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Algemene informatie

    Bij overlijden van een persoon in Nederland dient de arts, die de lijkschouw verricht, zowel een A-verklaring als een B-verklaring (de B-doodsoorzaakverklaring) in te vullen en deze gelijktijdig op te sturen naar de gemeente waar het overlijden plaatsvond. Simpelweg gesproken betekent dit dat de arts die A(-verklaring) zegt ook B(-verklaring) moet zeggen.

    De arts schrijft op de afscheurstrook van de enveloppe (verkrijgbaar bij de gemeente) de naam van de overledene. De ambtenaar van de burgerlijke stand verwijdert vervolgens deze afscheurstrook nadat hij het aktenummer van overlijden en de gemeentecode op de enveloppe heeft ingevuld. De B-doodsoorzaakverklaring wordt vervolgens ongeopend naar het CBS opgestuurd.

    Het aktenummer is van belang voor de koppeling met de sterftegegevens uit de GBA (Gemeentelijke Basis Administratie).

    In geval van een doodgeboorte van een kind vult de ambtenaar van de burgerlijke stand een telkaart in en verstuurt deze naar het CBS. Ook hier is het aktenummer van belang.

    De Inspecteur-Generaal voor de Gezondheidszorg is belast met het toezicht op de naleving van de invullingsplicht.

    De bovenstaande gang van zaken heeft een interessante voorgeschiedenis die te maken heeft met het beroepsgeheim.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Het formulier

    Sinds 1 oktober 2002 heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek een nieuw model van de B-doodsoorzaakverklaring in gebruik genomen. Na goedkeuring door de minister van VWS werd het nieuwe model van de B-doodsoorzaakverklaring gepubliceerd in de Staatscourant van 7 mei 2002 (nr. 86). Elk formulier is op de voor- en achterzijde voorzien van een uniek nummer en een streepjescode.

    Bestellen van de B-doodsoorzaakverklaring
    De B-doodsoorzaakverklaringen en enveloppen kunnen door de artsen besteld worden bij de gemeente waarin de praktijk gevoerd wordt.

    Het formulier is gebaseerd op de richtlijnen van de World Health Organisation (WHO).

    Aan de arts wordt gevraagd alle ziekten, aandoeningen of letsels die hebben geleid of bijgedragen tot het overlijden, en de omstandigheden van het ongeval of geweld waarin dergelijke letsels werden veroorzaakt, te vermelden.

    In de doodsoorzakenstatistiek wordt de onderliggende doodsoorzaak, ook wel primaire doodsoorzaak genoemd, gepubliceerd.

    Hieronder wordt verstaan:

    1. de ziekte die of het letsel dat aanleiding heeft gegeven tot de reeks van gebeurtenissen die rechtstreeks tot de dood heeft geleid, of
    2. de omstandigheden van het ongeval of geweld waarin het fatale letsel werd veroorzaakt.

    Daarnaast zijn ook de bijkomstige ziekten en aandoeningen van belang.

    De doodsoorzaken worden gecodeerd volgens de regels van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10).


  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Het invullen van de B-verklaring.

    a. Gemeente van overlijden

    Vul bij de gemeente van overlijden de naam van de gemeente in waar het overlijden plaatsvond. Kruis één keuzehokje aan bij plaats van overlijden

    b. Sectie

    Met sectie (syn. obductie) wordt hier zowel bedoeld het postmortaal onderzoek in een ziekenhuis als de gerechtelijke sectie.

    Bij onderzoekingen vermeldt u de aanvullende onderzoeken, zoals uitslag van microbiologische kweken en histologische en cytologische onderzoeken. Dit kan leiden tot nadere coderingen van de doodsoorzaak. Ook diagnostische onderzoeken als endoscopie e.d kunnen hier vermeld worden.

    c. Geslacht

    Kruis één keuzehokje aan bij geslacht.
    Kruis bij leeftijd de juiste categorie aan en vul de geboortedatum en overlijdensdatum in.

    De geboortedatum zal niet altijd precies bekend zijn. Schat in dat geval het geboortejaar zo nauwkeurig mogelijk. De leeftijd is soms essentieel bij het coderen van de doodsoorzaak.

    d. Natuurlijke dood

    Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    Deze rubriek bestaat uit 3 vakjes (1a – 1c) voor het invullen van de reeks van ziekten en aandoeningen die rechtstreeks tot de dood hebben geleid, en één vak (2) voor bijkomstige ziekten en bijzonderheden.

    In het eerste vakje (1a) vermeldt u de ziekte of aandoening die ten slotte de dood ten gevolge had. Indien hieraan één andere ziekte als oorzaak aan vooraf is gegaan (ten grondslag ligt), dan vermeldt u deze in het volgende vakje 1b. Zijn er twee ziekten of aandoeningen aan de onder 1a vermelde ziekte of aandoening als oorzaak vooraf gegaan, dan vermeldt u deze in volgorde in de vakjes 1b en 1c. De laatst ingevulde (1c) is het onderliggend lijden (grondlijden), dus de eerste in de reeks van gebeurtenissen die tot de dood hebben geleid.

    Bij het CBS wordt dit onderliggend lijden als primaire doodsoorzaak gecodeerd.

    Voor degenen die meer belangstelling hebben:

    Onder 2 worden de ziekten en aandoeningen vermeld die wel hebben bijgedragen tot de dood, maar geen direct verband houden met de keten van ziekten en aandoeningen onder 1. U vermeldt deze ziekten in volgorde van belangrijkheid, zoals u die inschat.

    Voor zowel onder 1 als 2 genoemde ziekten en aandoeningen is de duur van groot belang bij het coderen.

    e. Niet-natuurlijke dood, incl. levensbeëindigend handelen

    Opmerkingen FOMAT:
    Een behandelend arts kan deze rubriek niet invullen! Bij een  niet-natuurlijke dood (ook bij levensbeëindigend handelen is hiervan sprake) dient de gemeentelijke lijkschouwer te worden ingeschakeld. Deze draagt zorg voor het invullen van een art. 10 verklaring (melding aan de Officier van Justitie) en de waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand en omdat er geen verklaring van overlijden (A-verklaring) kan worden afgegeven. In dit geval is de gemeentelijk lijkschouwer ook de arts die de B-verklaring (vgl. artikel 12a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging) zal invullen.

    Bij een niet-natuurlijke dood wordt niet de eigenlijke doodsoorzaak (schedeltrauma, bloedverlies, fracturen, etc.) in de statistiek opgenomen maar het mechanisme (de uitwendige factor) dat leidde tot het overlijden. Strafvorderlijke relevantie speelt daarbij geen rol en behoort ook geen rol te spelen. Indien voldoende informatie wordt verstrekt zorgt het CBS voor de juiste ICD-10 codering.
    Voor de vaststelling van het aantal niet-natuurlijke overlijdensgevallen worden door het CBS gegevens uit drie bronnen gecombineerd: gegevens uit de door de gemeentelijk lijkschouwer ingevulde doodsoorzaakformulieren, uit dossiers van arrondissementsparketten en uit ongevalsrapporten die door de politie zijn opgemaakt. Door de koppeling en integratie van deze bronnen kunnen eventueel ontbrekende gegevens in de afzonderlijke bestanden worden aangevuld. Ook opgaven van 'natuurlijke dood' die duidelijk in deze categorie thuishoren zullen door het CBS worden gecorrigeerd.

    Uitgebreide discussies over het 'hoe' en 'waarom' de dood uiteindelijk is ingetreden ná of door het effect van een externe factor, zijn (hoe interessant ook) op geen enkele wijze van belang. Veel forensisch (werkzame) artsen blijken zich dit niet te realiseren en dat te verwarren met de 'causaliteitsvraag'. De forensisch arts is géén gerechtelijk deskundige. Die vraag wordt, als dit van belang is, in de Nederlandse situtatie niet beantwoord door de gemeentelijk lijkschouwer maar door het NFI. Bij een niet-natuurlijk overlijden wordt alleen de externe factor vermeld op de artikel 10 verklaring en niet het 'mechanism of death'. Ook het CBS vermeldt in de statistiek bij niet-natuurlijk overlijden alleen de externe factor als external cause of death.

    In deze rubriek wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de categorie met de oorzaken zelfdoding, misdrijf of ongeval en anderzijds de categorie levensbeëindigend handelen. Het onderscheid bestaat hierin dat het CBS bij de eerst genoemde categorie de aanleiding (bijv. de aard van het ongeval) als primaire doodsoorzaak codeert, terwijl bij de 2e genoemde categorie het onderliggend lijden bij het levensbeëindigend handelen als primaire doodsoorzaak wordt gecodeerd.

    Slechts één categorie kan van toepassing zijn op een sterfgeval.

    Categorie oorzaak
    Indien het gaat om zelfdoding, misdrijf of ongeval en niet om levensbeëindigend handelen, kruist u de desbetreffende oorzaak aan en vult u de omstandigheden, de aard van het letsel en de plaats van de gebeurtenis in.

    Categorie levensbeëindigend handelen
    Indien er sprake is van levensbeëindigend handelen, kruist u de vorm van levensbeëindigend handelen aan en vult de onderliggende ziekte in die tot het levensbeëindigend handelen geleid heeft. Evenals bij natuurlijke dood kunt u aanvullende informatie bij rubriek G vermelden.

    f. Doodgeboren

    Deze categorie wordt ingevuld als er sprake is van een doodgeborene.
    Indien u categorie f voor een doodgeborene invult, hoeft u niet categorie c in te vullen.
    Indien er sprake was van een complicatie tijdens de zwangerschap of bevalling, dan gelieve u deze complicatie(s) te vermelden in het rechtervak.

    g. Opmerkingen

    Deze categorie is bestemd voor alle nog niet vermelde bijzonderheden.

    Opmerking FOMAT:
    Soms is de oorzakelijke keten die leidt tot overlijden erg ingewikkeld. In dat soort gevallen verdient het aanbeveling dit te vermelden. Ook kunt u uiteraart overleggen met een forensisch arts die, door de aard van zijn/haar werk, hier meer ervaring in heeft verkregen of met de medisch ambtenaar van het CBS (heeft ook een beroepsgeheim).
    Bedenk ook dat sommige vermeldingen geen adequate vermelding van de doodsoorzaak kunnen zijn. Schrikt u niet: 'Hoofdpijn' werd in 2009 in Nederland viermaal als enige en primaire doodsoorzaak bij natuurlijk overlijden op de B-verklaring opgegeven zonder enige nadere toelichting (in 2010 was dit nog éénmaal het geval). Het vereist wel een heel bijzondere helderziendheid om dit bij de lijkschouw (is meer dan alleen naar het lijk kijken!) als doodsoorzaak vast te stellen.

    h. Naam en correspondentieadres van de geneeskundige die het formulier invult

    Indien u als waarnemend arts de dood constateert, en overtuigd bent dat het een overlijden op grond van een natuurlijke doodsoorzaak betreft, beschikt u soms niet over alle informatie. Als u, naast uw eigen naam, ook de naam van de behandelend arts van de patiënt in de rechter kolom van rubriek H invult, kan zonodig de medisch ambtenaar van het CBS bij vragen over de doodsoorzaak contact opnemen met de behandelend arts.

  • Terug naar inhoudsoverzicht



  • Tot slot:
    De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.
    Als u ook een bijdrage wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via


    forum@fomat.nl.


    Terug naar begin van deze pagina